| 33646 |
hoek van een stuk land |
tomp:
tømp (L373p Roosteren)
|
Een hoek of punt van een stuk land. [N P, 1; A 33, 10; monogr.]
I-8
|
| 22358 |
hoepel |
reep:
rijp (L373p Roosteren)
|
Hoe noemt men het kinderspeelgoed, bestaande uit een grote houten of ijzeren ring, die met een stokje, een haak of een oog wordt voortgedreven, zodat hij over de weg rolt? [DC 19 (1951)]
III-3-2
|
| 34619 |
hoepels van de huifkar |
beugels:
bø̜gǝls (L373p Roosteren),
beugsels:
bø̜̄xsǝls (L373p Roosteren)
|
Houten hoepels waarover de huif gespannen werd. De hoepels werden in krammen tegen de zijplanken bevestigd. Meestal waren er vijf, waarvan de voorste naar voren helde. [N 17, 74 + 99]
I-13
|
| 18018 |
hoesten |
hoesten:
hooste (L373p Roosteren, ...
L373p Roosteren)
|
hoesten [keche, kechelen] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 33073 |
hok opbinden |
binden:
bęnjǝ (L373p Roosteren)
|
Het leggen van een band om de koppen van de schoven als deze in een hok bijeengezet worden. Het voorwerp van het werkwoord is steeds "hok, stuik". De volgorde van de varianten van het type binden is zoals in het lemma ''schoven binden'' (4.6.2). [N 15, 33; monogr.]
I-4
|
| 29817 |
holle steen |
kustfeller:
køstfɛlǝr (L373p Roosteren)
|
Metselsteen die niet massief is. Holle stenen kunnen diverse vormen en afmetingen vertonen en worden onder meer gebruikt voor gewelven, zolderingen en lichte tussenmuren. Ze worden ook toegepast bij het opmetselen van rookkanalen en luchtkokers. Zie ook afb. 27. Het betreft daar een holle spie- of boogsteen. De woordtypen zwemsteen (L 289) en zwembrik (Q 12) verwijzen naar het feit dat holle stenen licht van gewicht kunnen zijn door het gebruik van poreuze grondstoffen als natuurbims, kunstbims of gegranuleerde hoogovenslakken; als bindmiddel wordt dan hydraulische kalk, cement of een mengsel van beide toegepast. [N 30, 54c]
II-8
|
| 24324 |
hommel |
hommel:
hommel (L373p Roosteren, ...
L373p Roosteren)
|
hommel [DC 09 (1940)]
III-4-2
|
| 19782 |
hondenhok |
hondskooi:
hontsjkoai (L373p Roosteren)
|
hondenhok [DC 10 (1941)]
III-2-1
|
| 34567 |
hondenkar |
hondskar:
hontškar (L373p Roosteren)
|
Kleine kar die door een hond getrokken wordt en die voornamelijk gebruikt werd voor het vervoer van allerlei kleine hoeveelheden. [N 17, 15a; JG 1a; N G, 51; monogr]
I-13
|
| 21622 |
honderd frank |
honderd frank:
100 frang (L373p Roosteren)
|
100 franc, een ~ (wit metaal) [N 21 (1963)]
III-3-1
|