| 30795 |
looien |
looien:
lōjǝ (Q093p Rosmeer)
|
Het bereiden van leer. Dierehuiden die bepaalde voorbereidingen hebben ondergaan worden met bepaalde samentrekkende stoffen zo behandeld dat zij tot leer worden. [S; L 1a-m; monogr.]
II-10
|
| 21686 |
loon |
traktement:
ps. omgespeld volgens Frings.
traktəmēnt (Q093p Rosmeer)
|
loon, wat men verdient [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21596 |
loop van een geweer |
loop:
leip: tusschen ei en ee
de leip van e geweir (Q093p Rosmeer),
è is lang ook voor a
de lèp van e gewijr (Q093p Rosmeer)
|
De loop van een geweer [ZND 30 (1939)]
III-3-1
|
| 20132 |
loops |
lopetig:
leͅpətəx (Q093p Rosmeer),
ritsig:
retsəx (Q093p Rosmeer)
|
konijn, geslachtsdrift vertonend [N 19 (1963)] || loops, geslachtsdriftig ve teef [N 19 (1963)]
III-2-1
|
| 24678 |
loot, nieuw uitgelopen twijgje |
scheut:
shweutt (Q093p Rosmeer),
sjet (Q093p Rosmeer)
|
loot [ZND 01 (1922)]
III-4-3
|
| 17817 |
lopen |
lopen:
lope (Q093p Rosmeer),
lôepen (Q093p Rosmeer),
lôpe (Q093p Rosmeer)
|
de jongens lopen op stelten (stok met voetplankje) [ZND 07 (1924)] || lopen [ZND 01 (1922)] || lopen: Hebt ge Klaas zien lopen ? [ZND 44 (1946)]
III-1-2
|
| 18697 |
losse linnen halsboord |
bandje:
beͅnt`e (Q093p Rosmeer)
|
halsboord, losse linnen ~ [beurdje, hemdsband] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18699 |
losse manchet |
losse manchet:
losə məšet (Q093p Rosmeer)
|
manchet, los [hemdsband, toet] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33395 |
losse voerbak in de varkenswei |
trog:
[trog] (Q093p Rosmeer)
|
Gewoonlijk worden de varkens binnen gevoerd. Soms echter gebruikte men een losse voerbak voor buiten, in de varkenswei; over deze laatste bak gaat het in dit lemma. Zie voor de fonetische documentatie van (trog) het lemma "varkenstrog" (2.4.3). [N 5A, 61b]
I-6
|
| 33365 |
losse voerbak voor runderen |
kuip:
kop (Q093p Rosmeer),
trog:
trǫx (Q093p Rosmeer)
|
Een losse bak of kuip waarin men het voer aan de koeien voorzet. Bedoeld wordt een bak waar meer dan één rund uit eet (en soms ook drinkt). Waar deze draagbare en ouderwetse bak niet (meer) bekend is, werden benamingen voor de vaste voerbak opgegeven (krib, trog en hun samenstellingen). Oorspronkelijk diende de krib voor het droge voedsel voor runderen en paarden en de trog voor het natte voedsel voor de varkens, maar in de praktijk lopen de termen dooreen. Sommige opgaven betreffen mogelijk ook het vak voor één koe van de in vakken verdeelde voerbak. Vergelijk de lemmata "voer- en drinkgoot" (2.2.14) en "vaste voer- en drink- en voerbak, krib" (2.2.15). [N 5A, 37c; N 18, 130; monogr.]
I-6
|