| 21342 |
krant |
gazet (<fr.):
gezet (L420p Rotem),
gəzait (L420p Rotem)
|
krant [ZND 17 (1935)]
III-3-1
|
| 21031 |
kreeft |
kreeft:
ook in ZND 28, 048
krèft (L420p Rotem)
|
kreeft [ZND 01 (1922)]
III-2-3
|
| 24339 |
krekel |
krekel:
kriəkəl (L420p Rotem)
|
krekel [ZND 01 (1922)]
III-4-2
|
| 20708 |
krentenbol |
krentenbroodje:
krēͅntəbrytje (L420p Rotem)
|
Krentenbroodje, krentenbol (krintenbol, briosj, krennee, krennie?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20707 |
krentenbrood |
krentenbrood:
verzamelfiche ook mat. van ZND 1 (a-m)
kraintebroed (L420p Rotem),
krentenweg:
krēͅntəwēͅk (L420p Rotem),
verzamelfiche ook mat. van ZND 1 (a-m)
kraintewêg (L420p Rotem),
rozijnenbrood:
verzamelfiche ook mat. van ZND 1 (a-m)
rezinebroed (L420p Rotem)
|
krentenbrood [ZND 28 (1938)] || Krentenbrood (krintemik, kramiek, beezenbrood, rezienemik, lippert, pruukesweg?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 18223 |
kreukelen |
poffen:
t poeft (L420p Rotem)
|
Hoe noemt men het wanneer een kleed dat niet past, zich in plooien zet ? [ZND 32 (1939)]
III-1-3
|
| 17994 |
kreunen van de pijn |
kreunen:
kreunt (L420p Rotem),
zuchten:
zucht (L420p Rotem)
|
hij kreunt van de pijn [ZND 28 (1938)]
III-1-2
|
| 33831 |
kribbebijter |
kribbebijter:
krøbǝbei̯.tǝr (L420p Rotem)
|
Nerveus paard dat met de snijtanden in de kribbe of op een ander hard voorwerp bijt, de lucht hoorbaar naar binnen zuigt en kreunt. Dit leidt dikwijls tot indigestie. Een kribbebijter is te herkennen aan de sterke afslijting van de wrijfvlakken, vooral aan de voorrand der snijtanden. Een kribbebijter zuigt wel lucht op; het woord is echter geen synoniem van windzuiger (4.4.5). [JG 1a, 1b; A 48A, 41b; N 8, 62o en 84f; add. uit N 52]
I-9
|
| 26629 |
kriel |
kriel:
kril (L420p Rotem)
|
Het op twee na fijnste produkt dat tijdens het builen wordt gescheiden. In volgorde van fijn naar grof is kriel grover dan boulté en fijner dan kortmeel. Zie ook de toelichting bij de lemmata ɛbloemɛ, ɛboultéɛ en ɛbuilmolenɛ. Een aantal molenaars (Q 95, Q 176, Q 188, Q 241) maakt geen onderscheid tussen de verschilende soorten die tussen ɛbloemɛ en ɛzemelenɛ worden aangetroffen. Zij die wel verschillende benamingen gebruiken, noemen kriel en biest datgene wat het dichtste bij meel staat.' [JG 1b; Vds 248; Jan 243; Coe 220; Grof 247; N O, 38e]
II-3
|
| 34465 |
krielkip |
engels hennetje:
eŋǝls enkǝ (L420p Rotem),
ɛŋǝls henkǝ (L420p Rotem)
|
Een krielkip is een soort kleine kip. [N 19, 42; monogr.]
I-12
|