| 19711 |
omheining |
tuin:
tuu̯n (L420p Rotem),
tūn (L420p Rotem)
|
De omheining in het algemeen. [N 14, 62; N 14, 67; S 11, 13; L 19B, 5a; A 25, 5; RND 8, 20; Gwn 16, 11; monogr.]
I-8
|
| 18188 |
omslagdoek (alg.) |
plag:
pla.k - pleͅkskə (L420p Rotem),
plak (L420p Rotem)
|
schouderdoek, wollen ~ of omslagdoek, soms ook wel over het hoofd gedragen [neus-, nuisdook, nuizek, nuzzing, plak, plaggen, sjelon, falie] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18708 |
omslagdoek onder mantel of jak |
sjerp:
šeͅrp (L420p Rotem)
|
omslagdoek die onder mantel of jak wordt gedragen [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18715 |
omslagdoek over mantel of jak |
sjaal:
šāəl (L420p Rotem)
|
omslagdoek die over mantel of jak wordt gedragen [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33651 |
omwalde akker |
blok:
blǫk (L420p Rotem)
|
Een akker welke omsloten is door een akkerwal, een brede gracht of door bossen. [N 11, 2e; N 11, 2f; N 27, 3b; A 10, 4; monogr.]
I-8
|
| 34211 |
omweiden |
omdrijven:
umdrɛ̄jvǝ (L420p Rotem),
omzetten:
ømzɛtǝ (L420p Rotem)
|
Het geregeld verplaatsen van vee. [N 3A, 11; monogr.]
I-11
|
| 25685 |
omzetten |
omzetten:
omzętǝ (L420p Rotem)
|
Het met de graanschop omkeren van het op de graanzolder uitgespreide graan. [JG 1a, 1b, 2c]
I-4
|
| 21441 |
onbetrouwbare koopman |
afzetter:
ps. omgespeld volgens Frings.
āfzɛtər (L420p Rotem),
voddenkramer:
ps. omgespeld volgens IPA.
voͅdəkrīəmər (L420p Rotem),
voddenvent:
ps. omgespeld volgens IPA.
voͅdəveͅnt (L420p Rotem)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: scheldwoorden of misprijzende woorden kent uw dialect voor een weinig koopkrachtig en onbetrouwbaar koopman [kremmer, toesser, ruilebuiter, voorsnijer?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 25149 |
onbewolkt |
klaar:
klaor (L420p Rotem),
Opm. en lijk in veteurent.
kleur (L420p Rotem)
|
klaar, helder [ZND 19A (1936)]
III-4-4
|
| 34608 |
onderbak |
onderbak:
uŋǝrbak (L420p Rotem)
|
Onder de kar opgehangen laadvloertje. [N 17, 86]
I-13
|