| 32977 |
haver |
haver:
hāvǝr (Q118p Schaesberg)
|
Avena sativa L. Men zaait ongeveer 200 kg haver per hectare. Zie afbeelding 1, b. [JG 1a, 1b; A 2, 31; L 35, 101; L lijst graangewassen, 3; Wi 50; monogr.; add. uit N 15, 1a]
I-4
|
| 20675 |
havermout |
havergruts:
havergruts (Q118p Schaesberg),
havermout:
havermoat (Q118p Schaesberg),
havervlokken:
haverflokke (Q118p Schaesberg)
|
havermout [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 24320 |
hazenleger |
leger:
leger (Q118p Schaesberg)
|
leger, ligplaats ve haas [DC 54 (1979)]
III-4-2
|
| 19534 |
hecht van een mes |
heft:
heft (Q118p Schaesberg)
|
heft [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 31521 |
hechten |
hechten:
hɛxtǝ (Q118p Schaesberg)
|
Het werkstuk met behulp van soldeersel op enkele punten vastzetten, zodat het niet kan verschuiven. [N 64, 28c]
II-11
|
| 24988 |
heen en weer (bewegen) |
op en neer:
op en neer (Q118p Schaesberg),
van hot naar haar:
van hot nao haar lope (Q118p Schaesberg)
|
heen en weer lopen [op en aaf lope] [N 07 (1961)]
III-4-4
|
| 21285 |
heer |
prins:
prins (Q118p Schaesberg)
|
heer [RND]
III-3-1
|
| 18897 |
heerszuchtig |
bazig:
bazig (Q118p Schaesberg)
|
een sterke neiging tot heersen of overheersen hebbend [heerzaam, heerzuchtig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18015 |
hees, schor |
gram:
graam zié (Q118p Schaesberg),
gram (Q118p Schaesberg),
hees:
hees (Q118p Schaesberg),
schor:
schor (Q118p Schaesberg)
|
hees [SGV (1914)] || schor, schor zijn [ruigsen, hees, gees zijn] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 31445 |
hefboomplaatschaar |
bandijzerknipscheer:
bant˱īzǝrknepšīǝr (Q118p Schaesberg)
|
Lichte knipmachine voor plaatmateriaal dikker dan 2 mm. De hefboomplaatschaar bestaat uit een tussen twee platen gemonteerd mes dat door middel van een hefboom naar beneden kan worden gedrukt. Zie ook afb. 142a. Er is ook een uitvoering van dit werktuig waarbij het mes met behulp van een tandheugelconstructie op en neer kan worden bewogen. Vgl. afb. 142b. [N 64, 4]
II-11
|