| 30861 |
leest |
leest:
lęjs (Q098p Schimmert)
|
De pasvorm, meestal van beukenhout, waaraan men de schoenen maakt. "De leest waarop de schoen gemaakt wordt, moet als het ware net een afgietsel zijn van de voet, en voor wat de stand aangaat, geschikt zijn volgens de hoogte der hiel waarvoor hij zal gebruikt worden" (Dierick, pag. 7). [N 60, 185a; N 60, 244a; L 1a-m; L 30, 8; S; monogr.]
II-10
|
| 22749 |
leeuw |
leeuw:
lieêf (Q098p Schimmert)
|
leeuw [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 20110 |
leeuwenbek |
leeuwenbek:
leeuwe bekken (Q098p Schimmert),
làiwe bek (Q098p Schimmert),
leeuwenbekje:
leeuwebekske (Q098p Schimmert),
WLD
lèeuwe-bêkske (Q098p Schimmert)
|
Leeuwenbekje (antirrhinum majus). De onderste bladeren staan bijna altijd kruisgewijs, de bovenste verspreid. Grote (ruim 3 cm), verschillend gekleurde bloemen met korte, brede kelkbladeren. De bloemen staan in trossen aan de stengeltoppen (kalfssnuit, kn [N 92 (1982)] || Welke dialectbenamingen hebt u voor de verschillende potplanten en snijbloemen voor de koude kas: anthurium scherzerianum [N 73 (1975)] || Welke dialectbenamingen hebt u voor verschillende snijbloemen: Antirrhinum majus (leeuwenbek) [N 73 (1975)]
III-2-1, III-4-3
|
| 33883 |
leewater |
leewater:
lęi̯wātǝr (Q098p Schimmert)
|
Gewrichtsontsteking bij veulens - ook bij kalveren en hoenders -, door een vochtophoping, veroorzaakt door een besmetting die bij veulens vooral via een navelwond binnendringt. [A 48A, 12c; N 8, 90m en 90n; monogr.]
I-9
|
| 34067 |
lege eerste koe |
lege koe:
lē̜x kō (Q098p Schimmert),
manse koe:
mau̯s [koe] (Q098p Schimmert),
schotje:
sxǫtjǝ (Q098p Schimmert)
|
Jong rund dat eenmaal heeft gekalfd, maar dat daarna niet meer drachtig wil worden of waarmee men niet verder wil fokken. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 25b; N C, 15; monogr.]
I-11
|
| 17815 |
leggen |
leggen:
lèkke (Q098p Schimmert)
|
leggen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 29060 |
legger |
peesklap:
pēsklap (Q098p Schimmert
[(synoniem van ''peesgal'': ontsteking en opzwelling van de diepe buigpees van het pijpbeen als gevolg van verrekking of gedeeltelijk scheuren van de pees bij zwaar werk)]
)
|
Een veel voorkomende zwelling of slijmbeursje van verschillende grootte aan de achterkant van de elleboog. Ze ontstaat door de druk van de kalkoenen der voorijzers op het gewricht, als het dier over een te kleine ligplaats beschikt en daardoor met de borst op de onder het lijf getrokken voeten ligt. De legger is een schoonheidsfout, die bij het lopen niet hindert maar wel pijnlijk kan zijn. [N 8, 32.1, 90d, 90f en 90g; monogr.]
I-9
|
| 33409 |
legnest |
legnest:
lęknęs (Q098p Schimmert),
nest:
nęs (Q098p Schimmert)
|
Het nest waarin de kippen hun eieren leggen. Est is door metanalyse uit nest ontstaan. [N 19, 32; A 48, 16e; monogr.; add. uit S 25]
I-6
|
| 23465 |
lei(en) |
lei(en):
lei (Q098p Schimmert)
|
Een lei, de leien op het dak van de kerk [laj, lajje?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 34147 |
leiden |
winnen:
wenǝ (Q098p Schimmert)
|
De koe laten paren. [N 3A, 30a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|