| 29979 |
optoppen, oplangen |
dennen opklampen:
dęnǝ ǫpklampǝ (Q098p Schimmert)
|
De steiger verhogen door de staanders met behulp van palen, de zgn. 'optoppers', te verlengen. De optoppers worden door middel van touwen aan de staanders gebonden en ze rusten op een op de staander gespijkerde, houten klos. [N 32, 5a; monogr.]
II-9
|
| 29980 |
optopper |
steigerden:
štęjgǝrdęn (Q098p Schimmert)
|
Houten paal waarmee de staander wordt verlengd. De optoppers worden met touwen aan de staanders vastgebonden en rusten op houten klossen die op de staanders zijn bevestigd. Zie ook afb. 19. [N 32, 5b]
II-9
|
| 34000 |
optuigen |
aanspannen:
ānšpanǝ (Q098p Schimmert),
optuigen:
ǫptȳgǝ (Q098p Schimmert)
|
Een trekpaard van het nodige trektuig voorzien. Men zet het hoofdstel op het hoofd van het paard, plaatst het haam om zijn nek, legt het schoftzadel op zijn rug en doet het achterhaam aan. Tenslotte gespt men de verschillende delen aan elkaar. [JG 1b; N 8, 97a; monogr.]
I-10
|
| 19037 |
opzettelijk |
expres:
espres (Q098p Schimmert)
|
expres [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 33966 |
opzetteugel |
bekriem:
bɛkrēm (Q098p Schimmert)
|
Leren riem die van het bit door de ringen boven op het haam naar het schoftzadel loopt en belet dat het paard bij het trekken gras vreet. [N 13, 33]
I-10
|
| 20130 |
opzitten |
fijn zitten:
fein zitte (Q098p Schimmert)
|
Hoe noemt u op de achterste poten zitten met opgeheven voorpoten, gezegd van een hond (bidden, lezen) [N 83 (1981)]
III-2-1
|
| 24703 |
orchis |
orchidee:
orchidee (Q098p Schimmert),
WLD
orchideé (Q098p Schimmert)
|
Orchidee (orchidee, koekoekslelie) [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 25082 |
ordenen, rangschikken |
rangschikken:
rang sjikke (Q098p Schimmert),
schikken:
schikke (Q098p Schimmert),
sorteren:
sorteerə (Q098p Schimmert)
|
op een regelmatige of doelbewuste wijze plaatsen [schikken, rangschikken, schavelen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 23570 |
organist |
organist:
organis (Q098p Schimmert)
|
De organist, orgelist. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 22737 |
orgel |
orgel:
orgeldraaier (Q098p Schimmert),
urgeldreeer (Q098p Schimmert),
örgel (Q098p Schimmert)
|
Het orgel [het/de orgel, örgel, ölger, orjel?]. [N 96A (1989)] || Iemand die een draaiorgel bespeelt [orgeldraaier, liereman]. [N 90 (1982)]
III-3-2, III-3-3
|