| 20016 |
crocus (crocus vernus l.) |
krokus:
crocus (Q098p Schimmert)
|
Crocus (crocus vernus). De bloemen zijn paars, geel, wit of gestreept. De bladeren zijn iets korter dan de bloem, donkergroen met een brede witte streep in het midden. Bloemen alleen of bij paren, omgeven door 1 schedeblad, de bloemen en bladeren zijn ing [N 92 (1982)]
III-2-1
|
| 23416 |
crypte |
crypte (<fr.):
crypte (Q098p Schimmert)
|
De ruimte, de kelder onder het priesterkoor, vroeger gebruikt als grafkelder [crypte, krocht?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 28752 |
crÊpe de chine |
crêpe de chine:
crêpe de chine (Q098p Schimmert)
|
Zijden of kunstzijden japonstof met normaal gedraaide ketting en een inslag van afwisselend 2 recht en 2 links overdraaide garens. De binding is effen (Bonthond s.v. ø̄crêpe de chineø̄). [N 62, 76; N 62, 98; N 59, 201]
II-7
|
| 32819 |
cultivateren, met de cultivator werken of bewerken |
extirpateren:
ɛkspātǝrǝ (Q098p Schimmert)
|
De cultivator wordt gebruikt a) om hard liggend land open te trekken en het daarop groeiende onkruid los te maken en naar boven te halen; b) om na de oogst de graanstoppels los te woelen of om een met de ploeg geschild stoppelveld verder klein te maken; c) om (op zwaardere grond) de schollen en kluiten van een pas geploegde akker te breken of om de bezakte grond van een eerder geploegde akker luchtig te maken; d) om uitgestrooide kunst-meststoffen in de grond te werken. De enkelvoudige termen van dit lemma kunnen meestal zowel met het land e.d. als object, als ook aboluut gebruikt worden. De samengestelde hebben steeds, ook al is dat hier onvermeld gelaten, het land, de akker e.d. tot object. [JG 1a + 1b add.; N 11, 43 + 47 add.; N 11A, 152; div.; monogr.]
I-2
|
| 32810 |
cultivator, extirpator |
cultivator:
køltivātǝr (Q098p Schimmert),
extirpator:
ɛkspātǝr (Q098p Schimmert)
|
De cultivator, extirpator of woeleg is een 3- of 4-wielig of op twee lopers voortglijdend akkerwerktuig met op een schaar eindigende tanden, die d.m.v. een hefboom tegelijk versteld kunnen worden. Aan het raam van een wielcultivator zitten 5 of meer C-vormige veertanden (zie afb. 77) of rechte stelen (zie afb. 78), die elk van een pijlvormige beitel, resp. een kleine dubbelschaar zijn voorzien. Dit lemma betreft de cultivator in het alge-meen. Voor termen die op de sleepcultivator toepasselijk zijn, zie men het volgende lemma. Wat in het onderstaande met ''eg'' en ''eg'' bedoeld wordt, is aangegeven in het lemma ''eg''. [JG 1a + 1b+ 1d + 2c; N 11, 78a; N 11A, 150a + c; N J, 10; N 18, 52 add.; div.; mono-gr.]
I-2
|
| 24327 |
daas (tabanidae) |
daas:
WLD
dāās (Q098p Schimmert),
praam:
praam (Q098p Schimmert),
práám (Q098p Schimmert)
|
daas (paardenvlieg) [SGV (1914)] || Hoe noemt u de grote vlieg waarvan verschillende soorten in ons land voorkomen. De wijfjes zuigen bloed bij grote zoogdieren en mensen. De grote soorten steken pijnlijk en achtervolgen mensen en dieren met grote hardnekkigheid (daas, dazerik, dol) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 20895 |
dadel |
dadel:
daadel (Q098p Schimmert),
WLD
dadel (Q098p Schimmert),
vijgendaal:
WLD
viègedaal (Q098p Schimmert)
|
De vrucht van de dadelpalm (dadel, smeerlap, vijgedaal). [N 82 (1981)]
III-2-3
|
| 23959 |
dagelijkse zonde |
dagelijkse zonde:
dqgelijkse zung (Q098p Schimmert)
|
Dagelijkse zonde [leslieje zung]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24898 |
dageraad |
dagen:
⁄t dāāgd (Q098p Schimmert),
krieken:
krieke (Q098p Schimmert)
|
het aanbreken van de dag [lamieren, krieken] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 24785 |
dagkoekoeksbloem |
hanenpoot:
hane po͂u͂t (Q098p Schimmert)
|
Dagkoekoeksbloem (meliandrum rubrum 30 tot 90 cm hoge plant. De plant is tweehuizig en dicht behaard; de bladeren zijn eivormig; de bloemen groeien in losse schermen, de kroonbladeren zijn diep ingesneden en rood van kleur, zelden wit; doosvruchten met [N 92 (1982)]
III-4-3
|