| 23950 |
een gelofte doen |
beloven:
beloave (Q032p Schinnen),
gelofte doen:
gelofte doon (Q032p Schinnen)
|
Een gelofte doen, afleggen bijv. om op bedevaart te gaan [gelaove, jelobe]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20131 |
een hond vleien |
feesten:
eigen spellingsysteem
fiëeste (Q032p Schinnen)
|
Hoe noemt u een hond vleien (fluren, flemen) [N 83 (1981)]
III-2-1
|
| 19855 |
een huis huren |
huren:
hy(3)̄rə (Q032p Schinnen),
pachten:
pechten (Q032p Schinnen)
|
een huis huren [DC 35 (1963)] || huren [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 20508 |
een kater hebben |
een kater hebben:
eine kater höbbe (Q032p Schinnen)
|
kater hebben; Hoe noemt U: Zich niet lekker voelen de dag na een flinke drinkpartij (een kater hebben) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20175 |
een kind op de arm dragen |
dragen:
draagə (Q032p Schinnen)
|
een kind op de arm dragen [peizen] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 23755 |
een kruisje geven |
een kruisje geven:
ein krutske gieève (Q032p Schinnen),
zegenen:
ziëgene (Q032p Schinnen)
|
Een kind voor het slapen gaan met de duim een kruisje geven op het voorhoofd. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23707 |
een kruisje op het brood maken |
het brood zegenen:
`t broead ziëgene (Q032p Schinnen),
het brood zengenen:
`t broad zieèngene (Q032p Schinnen)
|
Het gebruik om een brood met het mes te bekruisen, voordat men het aansnijdt; men maakte met het broodmes een kruisje aan de onderkant van het brood [n kruuske ónder de mik maake?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23706 |
een kruisteken maken |
n kruus maake:
ein kruts maken (Q032p Schinnen),
ein kruuts(teike) make, sjlaon (Q032p Schinnen),
zich ziëgene (Q032p Schinnen)
|
Een kruisteken maken/slaan, zich bekruisen, zich zegenen [zich bekruuse [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17887 |
een kuil graven |
dabben:
dabbe (Q032p Schinnen)
|
kuil, Een ~ maken (dappen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 31607 |
een paard beslaan |
beslaan:
bǝšlǭ.̜n (Q032p Schinnen)
|
Een paard van hoefijzers voorzien. Tijdens het beslaan wordt het paard in de hoefstal van de smidse geplaatst. De hoefsmid verwijdert eerst met behulp van de hoefhamer en de hoeftang het oude hoefijzer. Vervolgens bewerkt hij de hoef door middel van het hoefmes en de hoefrasp. Het nieuwe hoefijzer wordt gewoonlijk warm gepast. Daarvoor wordt het gelijkmatig donkerrood verhit en enige ogenblikken tegen de besneden hoef gehouden. Het ijzer moet overal dicht tegen de hoef passen; aan onverbrande plaatsen onder de hoef kan de smid zien dat deze nog met de hoefrasp moet worden bijgewerkt. Het ijzer wordt met hoefnagels aan de hoef bevestigd. De nagels worden daartoe eerst met behulp van de beslaghamer door de hoef geslagen. Dan worden de uitstekende uiteinden van de hoefnagels met de hoeftang tot op 3 mm afgeknepen. Het gedeelte van de hoefnagel dat nog uitsteekt, wordt vervolgens omgeslagen in een uitholling van de hoef die door middel van de onderkapper is gemaakt. Tot slot wordt de hoef soms nog met de hoefrasp bijgewerkt. [JG 1a; JG 1b; N 100, 17; monogr.]
II-11
|