| 23541 |
koorhemd |
koorhemd:
koeerhemd (L266p Sevenum)
|
Het korte witte kleed dat de priester over zijn toog draagt [rochet, superplie, koorhemd?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23540 |
koorkap |
koormantel:
koermankel (L266p Sevenum),
koirmangkel (L266p Sevenum)
|
De koorkap [koeërmangtel?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18004 |
koorts |
koorts:
korts (L266p Sevenum),
kursə (L266p Sevenum)
|
koorts [RND], [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 23563 |
koorzanger |
koorzanger:
koeerzenger (L266p Sevenum),
zanger:
zenger (L266p Sevenum)
|
Een koorzanger, lid van het zangkoor [zenger, koeërzenger?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33806 |
koot |
koot:
kōǝt (L266p Sevenum)
|
Het korte been onmiddellijk boven de hoef, zowel van de voor- als achterpoot. 1Het is één van de belangrijkste lichaamsdelen van het trekpaard. Zie afbeelding 2.25. [JG 1a, 1b; N 8, 32.1, 32.2, 32.3, 32.7, 32.10, 32.14, 32.15 en 32.16]
I-9
|
| 19856 |
kop |
kop:
kǫp (L266p Sevenum),
varkenskop:
vɛrkǝskǫp (L266p Sevenum)
|
[N 76, 11; monogr.]
I-12
|
| 33063 |
kop van de schoof |
kop:
kǫp (L266p Sevenum)
|
De bovenkant van de schoof, daar waar zich de aren bevinden. Zie afbeelding 7. [N 15, 21b; JG 1b]
I-4
|
| 25305 |
kop, maat van 5 liter |
kop:
kop (L266p Sevenum),
vloeistof + vaste stof.
kòp (L266p Sevenum)
|
de maat die een inhoud aangeeft van 5 lier [kop, kwartier] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 33137 |
kopdorser |
hekeler:
hēkǝlǝr (L266p Sevenum)
|
Bij deze vroege gemotoriseerde dorsmachine werden de schoven met de aren (de kop van de schoof) naar voren in de machine geschoven. Het eigenlijke dorsen gebeurde in een trommel met ijzeren pinnen of tanden die doet denken aan een hekel. Zie afbeelding 12. [N 14, 6a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 21411 |
kopen |
kopen:
koope (L266p Sevenum),
ps. de e staat subscript geschreven en is omgespeld in: ë.
koeëpe (L266p Sevenum)
|
koopen [SGV (1914)] || kopen (geen context) [DC 37 (1964)]
III-3-1
|