| 34362 |
varkens fokken |
fokken:
fǫkǝ (L266p Sevenum)
|
Zich toeleggen op de teelt van varkens. [N 76, 37b; monogr.]
I-12
|
| 34359 |
varkens houden |
varken(s) houden:
vɛrkǝs hǭi̯ǝ (L266p Sevenum)
|
Het houden van varkens, in het algemeen gezegd. [N 76, 37a]
I-12
|
| 34363 |
varkens mesten |
mesten:
mēstǝ (L266p Sevenum)
|
Het vetmesten van varkens totdat ze geschikt zijn voor export of slacht. [N 76, 37c; JG 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-12
|
| 34372 |
varkenssnijder |
castreur:
kastrø̄r (L266p Sevenum)
|
Persoon die varkens castreert. Deed aanvankelijk de boer zelf of de biggenhandelaar dit castreren, later werd hiervoor de veearts ingeschakeld. [N 76, 45; JG 1a; monogr.]
I-12
|
| 33391 |
varkensstal, varkenshok |
varkenshuis:
vɛ.rkǝshūs (L266p Sevenum),
varkenskooi:
vɛrkǝskȳǝ(i̯) (L266p Sevenum),
varkenskooien:
vɛ ̝rkǝskȳǝi̯ǝ (L266p Sevenum),
varkensstal:
vɛrkǝs[stal] (L266p Sevenum)
|
De stal of het deel van de stal waarin zich de varkenshokken bevinden. Doorgaans wordt er geen onderscheid gemaakt in de aanduiding van de stal in de zin van het gebouw of deel daarvan en in die van het hok, de houten constructie waarin de varkens zich bevinden. De opgaven waarbij wèl is aangegeven dat zij betrekking hebben op het houten hok, staan achter in het lemma bijeen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.3). Zie ook de plattegronden van de stallen in paragraaf 1.2. [N 5A, 60a en 60b; N 5, 105c; A 10, 9d en 9e; L 38, 27; S 39 en 50; monogr.]
I-6
|
| 34368 |
varkenston |
varkenston:
vɛrkǝston (L266p Sevenum)
|
Ton om gekookt varkensvoer in te bewaren. Zie voor de benamingen van "varkensketel" het lemma ''varkensketel'' in wld I.6 (2.2.11). [N 18, 131; monogr.]
I-12
|
| 33393 |
varkenstrog |
bak:
bak (L266p Sevenum),
voerbak:
vōrbak (L266p Sevenum)
|
De vaste voerbak in een varkenshok voor het vloeibare voedsel. [N 5A, 60d; A 4, 4d; L 8, 19; L 20, 4d]
I-6
|
| 33396 |
varkenswei |
ren:
rɛn (L266p Sevenum),
varkenswei:
vɛrkǝs˱węi̯ (L266p Sevenum)
|
De met een houten schutting of prikkeldraad omheinde ruimte in de open lucht waar de varkens lopen. Vaak wordt de boomgaard als varkenswei gebruikt. [N 5A, 61a; N 76, 41a; A 10, 9e]
I-6
|
| 32411 |
varshaak |
hielhaak:
hielhaak (L266p Sevenum),
plathaak:
plathāk (L266p Sevenum)
|
Gereedschap dat dient om aan de binnenkant van de klomp de hak en de hakbodem glad te maken. Het snijdende gedeelte van de varshaak is enkele centimeters breed, is aan beide zijden aangescherpt en in een cirkel rondgebogen. Soms heeft het ook heeft de vorm van een van boven platgedrukt vraagteken. Het houten handvat van de haak is ongeveer 30 cm lang. Zie ook afb. 247. [N 97, 23; A 29a, 9; Bakeman 9; monogr.]
II-12
|
| 18427 |
vaste boord |
kraag:
kraag (L266p Sevenum)
|
kraag, vaste halsboord van een overhemd [N 23 (1964)]
III-1-3
|