28376 |
pijlerband |
strebeband:
štrēbǝbant (Q121b Spekholzerheide
[(Willem-Sophia)]
[Domaniale])
|
Bandtransporteur voor een pijler. Om het schepwerk te vergemakkelijken en omdat de steenkoollagen vaak dun zijn, heeft men voor het gebruik in een pijler een speciaal soort bandtransporteur ontwikkeld. Daarbij worden de losgemaakte kolen niet op het bovenste banddeel, maar op de over de vloer slepende onderband geschept (Handb. H. pag. 69). Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (pijler)- het lemma Pijler. [N 95, 664; monogr.]
II-5
|
28025 |
pijlerproduktie |
pijlereffect:
pijlereffect (Q121b Spekholzerheide
[(Willem-Sophia)]
[Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV])
|
De prestatie of produktie van één pijler. Volgens een aantal invullers (K 361, L 433, Q 7, Q 113) werd de produktie gemeten in het aantal wagens dat gestuurd werd. Met het woordtype "présumé" (Q 7) werd de verwachte prestatie van een werkpunt aangegeven. Een aantal opgaven is mogelijkerwijs ook van toepassing op de prestatie van één houwer. Zie ook het lemma Houwereffect. [N 95, 481; monogr.]
II-5
|
17991 |
pijn |
pijn:
pieng (Q121b Spekholzerheide)
|
mijn voeten doen mij erg zeer [DC 03 (1934)]
III-1-2
|
20799 |
pijp |
dem:
neuswarmertje
üem (Q121b Spekholzerheide),
mots:
Mien moets is inne jouwe nazewermer
moets (Q121b Spekholzerheide),
olmpje:
neuswarmertje
ulm’sje (Q121b Spekholzerheide),
voermanspijp:
voor’manspief (Q121b Spekholzerheide)
|
korte aarden pijp || korte, kromme pijp || stenen pijpje
III-2-3
|
31467 |
pijpenhout |
pijpenrol:
pīfǝrǫl (Q121b Spekholzerheide)
|
Draaibare, houten rol waarop het plaatmateriaal voor kachelpijpen en andere cilindervormige voorwerpen rond kan worden gebogen. Zie ook afb. 165. Zie voor het eerste lid van het woordtype kandelhout (Q 88) ook het lemma "regenpijp" in Wld II.9, pag. 176. [N 33, 239; N 64, 10b; N 66, 23]
II-11
|
31330 |
pijpklem |
spanklem:
španklɛm (Q121b Spekholzerheide)
|
Klem waarmee pijpen en buizen tijdens het bewerken vastgezet kunnen worden. De pijpklem heeft doorgaans een beweegbare en een vaste bek. De beweegbare bek kan door middel van een draadspil op en neer worden gedraaid. Beide bekken zijn V-vormig uitgevoerd om platdrukken van de pijp te voorkomen en hebben een geribbeld oppervlak. Zie ook afb. 64. [N 33, 322; N 64, 51b]
II-11
|
31664 |
pijpsnijder |
halfronde scheer:
hǭǝfroŋ šīǝr (Q121b Spekholzerheide),
platte scheer:
platǝ šīǝr (Q121b Spekholzerheide),
snijtang:
šnijtsaŋ (Q121b Spekholzerheide)
|
In het algemeen een werktuig voor het afsnijden van metalen pijpen. Vaak bestaat het uit een vast snijwieltje van gehard staal of hard metaal en een verstelbare geleiding, bestaande uit twee of meer rollen. Zie ook afb. 251. Om een pijp met behulp van dit werktuig door te snijden wordt zij in de bek van de snijder geplaatst, waarna de geleiderollen tegen de pijp worden vastgedraaid. Vervolgens wordt het hele werktuig rond de pijp gedraaid waarbij de geleiderollen steeds strakker worden aangedraaid en het snijwieltje dus steeds dieper in het metaal snijdt. [N 33, 175; N 64, 7-8; N 33, 322, add.]
II-11
|
24225 |
pimpelmees |
bijenmeesje:
bij’emieës-je (Q121b Spekholzerheide)
|
pimpelmees
III-4-1
|
28052 |
pin, puntijzer |
afbouwhamerpin:
abǝrhamǝrpen (Q121b Spekholzerheide
[(Willem-Sophia)]
[Maurits])
|
De pinvormige ijzeren steekbeitel van de luchthamer. [N 95A, 7; N 95, 760 add.; N 95, 736; monogr.; Vwo 68; Vwo 362; Vwo 604]
II-5
|
20811 |
pinda |
oligsnootje:
oa’liegs’neus-jer (Q121b Spekholzerheide)
|
olienootjes
III-2-3
|