e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Stein

Overzicht

Gevonden: 5275

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
[jasje] stoep: stjub (Stein) Hoe noemt men het kledingstuk van geheel of gedeeltelijk wollen stof, dat bij kouder weer en in de winter over de, in vraag 5 en 6 genoemde kledingsstukken in het werk wordt gedragen? Het heeft meestal een kraagje en revers (opgeslagen). Het zou in het Ne [DC 14A (1946)] III-1-3
[kazavek?] kazavekje: [sic] - korte vrouwenmantel, tot aan de heup ongeveer  kasjevelêske (Stein) kasjevék, in de betekenis van vrouwenmantel; betekenis/uitspraak [N 23 (1964)] III-1-3
[lijfje] lijfje: liefke (Stein) lijfje, in de betekenis van soort kledingstuk; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] III-1-3
aaks aaks: hākš (Stein), hātš (Stein) Zware bijl met lange steel die wordt gebruikt om bomen te vellen. [N 50, 10b; N 75, 114d; L 32, 46; monogr.] II-12
aalmoes aalmoes: aalmoes (Stein), aalmoos (Stein) de gift aan een arm persoon [aalmoes, arremoes, karitaat] [N 89 (1982)] III-3-1
aambeien aambeien: aambei (Stein), aambeien (Stein) Aambeien: bes- of knobbelvormige zwellingen van de aders aan de anus of aan het onderste gedeelte van de endeldarm (speen, spenen, blikaar(d)s, aambeien, puisten, bikaards, vijgpuisten). [N 84 (1981)] III-1-2
aan de borst zijn mem hebben: mem hebben (Stein) gezoogd worden, aan de borst zijn, gezegd van zuigelingen [lodderen, mem lebben] [N 86 (1981)] III-2-2
aan flarden <uitdr.> de lommelen langs zijn lijf hebben hangen: Hè haw de lommele langs z’n lief hange (Stein) Zijn kleren waren aan flarden (door een ongeluk of vechtpartij). [DC 17 (1949)] III-1-3
aan het front aan het front: ān ǝt front (Stein  [(Maurits)]   [Emma, Hendrik, Wilhelmina]), vorenweer: vǝrwēr (Stein  [(Maurits)]   [Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau II, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV]) [N 95, 474; N 95, 927; N 95, 398; monogr.] II-5
aanbrengen van gaatjes in het deegbrood stippelen: støpǝlǝ (Stein) Met behulp van een vork, een plank met spijkers of ijzeren tanden, een houtje, een spijker of simpelweg een vinger worden gaatjes in het deegbrood aangebracht. [N 29, 42; N 29, 30b; monogr.] II-1