| 26540 |
lichtsteen |
gewichtsteen:
gǝwextste̜jn (L318p Stramproy)
|
Het gewicht onder aan het lichttouw. Zie ook afb. 85. [N O, 23g; Vds 113; Jan 147; Coe 131; A 42A, 28 add.]
II-3
|
| 26539 |
lichttouw, lichtkoord |
lichtriem:
lextrēm (L318p Stramproy),
lichttouw:
lichttouw (L318p Stramproy)
|
Het touw, de riem of de ketting waarmee de licht in werking wordt gesteld. Zie ook afb. 85. [N O, 23f; A 42A, 28; Vds 112; Jan 146; Coe 130; N D, 33 add.]
II-3
|
| 22750 |
lied, liedje |
liedje:
le.tjə (L318p Stramproy)
|
liedje [RND]
III-3-2
|
| 17647 |
lies |
vang:
(mv)
vaŋkǝ (L318p Stramproy)
|
De twee huidplooien die de grens vormen tussen het onderste gedeelte van de buik en het bovenste gedeelte van het been. Zie afbeelding 2.28. [JG lb; N 8, 32.10]
I-9
|
| 26438 |
ligger |
ligger:
legǝr (L318p Stramproy),
leqǝr (L318p Stramproy),
ligger (L318p Stramproy)
|
De onderste, stilliggende molensteen. [N O, 17d; A 42A, 32; N D, 6; Sche 48; Vds 86; Jan 120; Coe 97; Grof 118; monogr.]
II-3
|
| 26183 |
lijken |
luiken:
lȳkǝ (L318p Stramproy)
|
De touwen die in de rand van elk zeil zijn ingenaaid en waarmee het zeil aan de kikkers van de roede enerzijds en aan de toppen van de scheien anderzijds wordt vastgemaakt. [N O, 5b; A 42A, 70; monogr.]
II-3
|
| 29159 |
lijnwaadgetouw |
lijnwaadgetouw:
lijnwaadgetouw (L318p Stramproy)
|
Een weefstoel waarop heel- of halflinnen stoffen worden vervaardigd. [N 39, 2]
II-7
|
| 21098 |
lijnzaadmeel |
lijzensmeel:
lēzǝsmɛ̄ǝl (L318p Stramproy)
|
De gedroogde pulp die overblijft na het slaan van de olie uit het lijnzaad. Het meel wordt als veevoeder gebruikt. Indien in samenstellingen met lijnzaad- dit woorddeel onverkort is gebleven en gelijk aan de opgave voor lijnzaad in dat lemma, dan is hier naar de variant van het lemma Lijnzaad, Vlaszaad verwezen. Voor de typen lijzend en lijzens naast lijzaad zie de toelichting bij het lemma Lijnzaad, Vlaszaad. [monogr.; add. uit L 1 a-m; L 1 u, 149; L 42, 59; RND 31]
I-5
|
| 24567 |
lijsterbes |
fluitenhout:
-
fluitenhout (L318p Stramproy)
|
lijsterbes (Sorbus aucuparia) [DC 26 (1954)]
III-4-3
|
| 20492 |
likken |
lekken:
lekke (L318p Stramproy)
|
likken; Hoe noemt U: Met de tong over iets heen en weer gaan om zo het voedsel op te nemen (likken, lekken, leppen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|