| 32495 |
mandenmakersschaar |
mandenscheer:
manjǝšēr (L318p Stramproy),
snoeischeer:
snujšīǝr (L318p Stramproy)
|
Schaar waarmee de mandenmaker de wissen op maat knipt en de uiteinden van de bodemstekken afknipt. Zie ook afb. 267. [N 40, 41; monogr.]
II-12
|
| 32510 |
mandijzer |
wissenblok:
wesǝblǫk (L318p Stramproy)
|
De ijzeren of loden schijf die bij het vlechten in de mandbodem ligt, zodat de mand niet schuift of omvalt. Zie ook afb. 276. In Weert (L 289) werd de mand met pennen (pęnǝ) vastgezet. [N 40, 65]
II-12
|
| 33768 |
manen |
manen:
mānǝ (L318p Stramproy)
|
Het lange nekhaar bij een paard. Paarden worden vaak onderscheiden naar de kleur van de manen (zie paragraaf 4.1). Zie afbeelding 2.13. [JG 1a, 1b; N 8, 21]
I-9
|
| 33914 |
manenschurft |
fistel:
festǝl (L318p Stramproy)
|
Steeds terugkerende verzwering of verettering, in de maanstapel en in de oren, te wijten aan een te warme, bedompte stal en onvoldoende huidverzorging. Door schuren en wrijven onststaan kale of bloedige verdikkingen waarop korsten komen. [N 8, 90t]
I-9
|
| 33769 |
manenstrang |
manenstrang:
mānǝstraŋk (L318p Stramproy)
|
Gewelfde bovenkant van een paardenek waar de manen ingeplant zijn. Zie afbeelding 2.14. [N 8, 21 en 25]
I-9
|
| 34051 |
mannelijk kalf |
varkalf:
vɛr[kalf] (L318p Stramproy)
|
[N 3A, 15; N C, 7a; JG 1a, 1b; A 9, 17a; Gwn V, 5a; monogr.]
I-11
|
| 34393 |
mannelijk schaap |
bok:
bok (L318p Stramproy),
bõk (L318p Stramproy),
schaapsbok:
šǭpsbok (L318p Stramproy),
schapenbok:
sǭpǝbok (L318p Stramproy)
|
Het mannelijk schaap in het algemeen. Varianten van het woordtype hamel die voor "mannelijk schaap" zijn opgegeven, zijn naar het lemma ''gesneden mannelijk schaap'' (2.2.5) overgeheveld. [L 5, 30b; L 20, 22a; L 39, 44; L 6, 25; L B2, 319; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 2, 46; A 4, 22a; Wi 12; AGV, m 3; R 3, 34; VLD; S, Q 105 add.; monogr.]
I-12
|
| 24204 |
mannelijke eend |
wielder:
wildǝr (L318p Stramproy)
|
[GV, K 2; L 1a-m; L 3, 3; L 14, 18; JG 1a, 1b, 2c; S 18; NE II, 55; Vld.; A 6, add.; monogr.]
I-12
|
| 34446 |
mannelijke geit |
bok:
buq (L318p Stramproy),
geitenbok:
gęi̯tǝbok (L318p Stramproy)
|
[N 70, 8; N 77, 78; N 77, 80; A 9, 19; L 32, 82; Wi 11; RND 89; JG 1a, 1b, 2c; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 24456 |
mannelijke meikever |
mulder:
mölder (L318p Stramproy),
schoenmaker:
sjoemaiker (zonder stof) (L318p Stramproy)
|
meikever, met veel wit stof [DC 18 (1950)]
III-4-2
|