| 25957 |
molen |
molen:
mø̄(ǝ)lǝ (L318p Stramproy),
mø̄lǝ (L318p Stramproy)
|
Algemene benaming voor zowel het werktuig waarmee men verschillende stoffen fijnmaakt, als voor het gebouw waarin het maalproces plaatsvindt. De specifieke benamingen voor het maalwerktuig zijn bijeengeplaatst in het lemma ɛmaalgangɛ. In dit lemma zijn de dialectvarianten van molen met umlautsvocaal niet van een apart woordtype voorzien. Zie hiervoor ook de ɛinleidingɛ op het WLD, pag. 35-38.' [N O, 32i; JG 1a; JG 1b; S 24; Wi 4; Wi 51, l 1a-m; l 30; l 31; A 42, 2; A 42A, 51; Vds 1; Jan 1; Coe 1; Grof 1; Sche 1; monogr.; div.; A 43, 5; ND, 3; ND add.; Vld]
II-3
|
| 25946 |
molenaar |
baas:
bās (L318p Stramproy),
muller/mulder:
mø̜ldǝr (L318p Stramproy)
|
[N O, 40a; A 42A, 49; JG 1a; JG 1b; l 1a-m; S 24; Wi 53; Sche 7; Vds 264; Jan 285; Coe 234; Grof 261; monogr.; Vld]
II-3
|
| 25986 |
molenaarshuis |
bij de mulder:
bi dǝ mø̜ldǝr (L318p Stramproy),
muldershuis:
mø̜ldǝrshūs (L318p Stramproy)
|
De woning van de molenaar. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel ømolenŋ- het lemma ɛmolenɛ.' [N O, 39c]
II-3
|
| 25947 |
molenaarsvrouw |
bazin:
bāzen (L318p Stramproy),
muldersvrouw:
mø̜ldǝrs˲vrǫw (L318p Stramproy)
|
De vrouw van de molenaar. [N O, 40d; Vds 271; Jan 286; Coe 235; Grof 262; monogr.; Wi 18]
II-3
|
| 26317 |
molenaartje |
klosje:
klø̜skǝ (L318p Stramproy)
|
IJzeren voorwerpje in de vorm van een S of van een cijfer 8 of houten blokje onderaan de binnen- of buitenreep waarmee een lus gemaakt wordt die rond de krop van de zak gelegd wordt. [N O, 25e]
II-3
|
| 25982 |
molenberg |
molenberg:
[molen]bɛ.rǝx (L318p Stramproy),
[molen]bɛrx (L318p Stramproy)
|
De heuvel waarop de windmolen staat. Zie ook afb. 7 en 8. Het woorddeel ømolenŋ- is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛmolenɛ.' [N O, 39a; Sche 24; monogr.]
II-3
|
| 25983 |
molenerf |
molenveld:
[molen]vęljt (L318p Stramproy)
|
Het erf rond de molen, eventueel ook de ruimte eromheen. Het woordtype giele-erf (P 51) is waarschijnlijk een toponiem. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel ømolenŋ- het lemma ɛmolenɛ.' [N O, 39b]
II-3
|
| 26020 |
molenkap |
kap:
kap (L318p Stramproy)
|
De algemene benaming voor het dak van een windmolen. Zie ook afb. 19. Het betreft daar de kap van een bovenkruier. [N O, 27d; N O, 49d; Sche 21; monogr.]
II-3
|
| 26665 |
molenkar |
molenkar:
[molen]kɛr (L318p Stramproy)
|
De kar waarmee men zakken graan en meel respectievelijk ophaalt en thuisbrengt. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel ømolenŋ- het lemma ɛmolenɛ.' [N O, 38r; Vds 267; Jan 259; Coe 237; Grof 265]
II-3
|
| 26003 |
molenkast |
kas:
kas (L318p Stramproy)
|
De gehele, draaibare, vierhoekige romp van de standerdmolen. Zie ook afb. 6 en 14. [N O, 43a; A 42A, 93; Sche 9; monogr.; N O, 44a]
II-3
|