| 25664 |
mout |
mout:
mǭt (L318p Stramproy)
|
Het op de eest of eestvloer gedroogde en eventueel geroosterde graan. Zie ook de semantische toelichting bij het lemma ''eesten''. [N 35, 20; L 1a-m; L 1u, 166; S 5; Jan 14d; monogr.]
II-2
|
| 25666 |
mouter |
mouter:
mǫwtǝr (L318p Stramproy),
mǭtǝr (L318p Stramproy)
|
De persoon die het brouwgraan tot mout verwerkt. In de grotere bedrijven ook de persoon die toezicht houdt over het moutpersoneel (Claessen, p. 3. 2). In L 210 en L 294 kent men geen aparte mouter, daar wordt het mouten door de brouwer zelf gedaan. [N 35, 24; monogr.]
II-2
|
| 25665 |
mouterij |
mouterij:
mǫwtǝri (L318p Stramproy)
|
Het gedeelte van de brouwerij of het bedrijf waar alle bewerkingen van het mouten plaatsvinden. [N 35, 23; monogr.]
II-2
|
| 25688 |
moutkiemen |
scheuten:
sø̄t (L318p Stramproy)
|
De eerste scheuten aan de kiemende gerst. Zie de semantische toelichting bij het lemma ''kiemen''. [N 35, 26]
II-2
|
| 25670 |
moutkipwagen |
moutwagentje:
mǭtwę̄gǝskǝ (L318p Stramproy)
|
Voertuig voor het transport van mout bestaande uit een afgeronde bak uit blik die tussen twee grote, smalle wielen met rubber banden zo hangt, dat hij om zijn as gekanteld kan worden. [N 35, 25]
II-2
|
| 25669 |
moutmand |
moutmand:
(mv.)
mǫwtmanjǝ (L318p Stramproy)
|
De mand waarmee het mout in de mouterij wordt vervoerd. De mand is soms van wieltjes (L 318) en een lier (L 210, L 331) voorzien waardoor het transport wordt vergemakkelijkt. Een "witsen mand" (L 377) kan ongeveer 30 kg. mout bevatten. [N35, 25]
II-2
|
| 25707 |
moutmeel |
gemalen mout:
gǝmālǝ mǫwt (L318p Stramproy),
gǝmālǝ mǭt (L318p Stramproy),
moutmeel:
mǭtmɛ̄l (L318p Stramproy)
|
Het gemalen mout. [N 35, 21; monogr.]
II-2
|
| 25706 |
moutmolen |
moutmolen:
mǫwtmø̄lǝ (L318p Stramproy),
mǭtmø̄lǝ (L318p Stramproy)
|
De molen waarin het mout wordt fijngemaakt. De invuller uit L 325 merkt op dat het hier ging om een molen met walsen. Zie afb. 4. [N 35, 7; N 35, 15, monogr.]
II-2
|
| 25704 |
moutpoetsmachine |
moutpoets:
mǫwtputs (L318p Stramproy),
mǭtputs (L318p Stramproy)
|
Het apparaat waarmee geëeste graan van kiemen en onzuiverheden wordt ontdaan. Volgens de zegsman uit L 210 werden de kiemen er vroeger met de voeten afgetrapt. De invuller uit L 331 merkt op dat er voor het ontkiemen vroeger een moutmolen werd gebruikt, terwijl men tegenwoordig met een ontkiemer werkt. Daarnaast gebruikt men een moutpoets om het mout schoon te maken. Zie de semantische toelichting bij het lemma ''poetsen''.' [N 35, 6; N 35, 14; monogr.]
II-2
|
| 25686 |
moutschop |
moutschoep:
mǫwtšōp (L318p Stramproy),
schoep:
šōp (L318p Stramproy)
|
De holle, houten schop met een lange steel die wordt gehanteerd om het kiemende graan te keren. In L 210 wordt de schop ook op de eest gebruik. Zie afb. 2. [N 35, 22; N 35, 11; monogr.]
II-2
|