| 25681 |
moutvloer |
moutvloer:
mǫwtvlūr (L318p Stramproy),
mǭtvlūr (L318p Stramproy)
|
De vloer waarop het geweekte brouwgraan tot ontkieming komen. [N 35, 3; N 35, 23; monogr.]
II-2
|
| 25698 |
moutzolder, vooreest |
droogzolder:
drø̄ǝxzø̜ldǝr (L318p Stramproy)
|
De plaats waar de gekiemde gerst door de wind wordt gedroogd. De invullers uit L 210 en Q 95 merken hierbij op dat dit gebeurt op de bovenste eest, terwijl het "eesten" in de onderste eest geschiedt. Volgens Claessen (pag. 2. 8) bestaat de droogoven uit twee of drie ruimten boven elkaar, waarbij de bovenste eest, de vooreest, als (vóór)droogruimte gebruikt wordt omdat daar de temperatuur het laagst is. Ook de zegsman uit Q 99 vermeldt dat het vooreesten op de eerste verdieping gebeurt. In P 180 droogt men de gerst met warme wind. Zie ook de semantische toelichtingen bij de lemmata ''drogen, vooreesten'', ''eesten'' en ''eest''. [N 35, 4; S 8; monogr.]
II-2
|
| 18264 |
mouw |
hazesprong:
hāzǝsprøŋ (L318p Stramproy)
|
Gezwel, met name een vochtophoping, aan de achterzijde van het spronggewricht. Bij een jong paard kan een overvuld kniegewricht wel eens van voorbijgaande aard zijn, maar meestal is het een ernstige aandoening waarbij geen verbetering optreedt. Zie afbeelding 16. [A 48A, 54e; N 8, 32.10, 32.11, 90g, 90h, 90i en 90j; monogr.]
I-9
|
| 18325 |
mouwschort |
mouwenscholk:
moewesjolk (L318p Stramproy)
|
zijn er verschillende namen voor verschillende soorten van deze kledingstukken ? [DC 15 (1947)]
III-1-3
|
| 24356 |
mug |
mug:
muik (L318p Stramproy)
|
steekmug [DC 18 (1950)]
III-4-2
|
| 20598 |
muik |
mout:
iets in de mot hebben = iets in voorraad hebben
mot (L318p Stramproy)
|
Kent u een woord voor een geheime bergplaats voor onrijp fruit? Vroeger legden de kinderen vruchten, vooral appels, die ze onrijp geplukt hadden, op een verborgen plekje in het hooi of stro om zacht te worden. Voorbeelden met woorden voor deze bergplaats [DC 31 (1959)]
III-2-3
|
| 26147 |
muilband |
slek:
slɛk (L318p Stramproy)
|
IJzeren band rondom de borst en de las. Zie ook afb. 36. [N O, 1k]
II-3
|
| 32549 |
muilkorf |
muilkorf:
mulkø̜rǝf (L318p Stramproy)
|
Gevlochten korfje dat (jonge) dieren voorgebonden krijgen om te beletten dat zij van een bepaald soort voer eten, dat zij niet mogen hebben. [N 40, 105]
II-12
|
| 18308 |
muiltje |
muil:
moelen (L318p Stramproy),
slippertje:
slipperkes (L318p Stramproy)
|
Hoe noemt men de muilen? [DC 09 (1940)] || Muiltje. Thuis dragen veel mensen in plaats van schoenen pantoffels of muilen. De eerste hebben wel, de andere geen opstaande achterkant. Hoe noemt men die zonder achterkant? [DC 44 (1969)]
III-1-3
|
| 33627 |
mutsaard, houtmijt |
krikken:
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
krikke (L318p Stramproy)
|
I-7
|