| 33022 |
oogst -werkzaamheden |
oogst:
ǫu̯xst (L318p Stramproy)
|
Het geheel van de werkzaamheden; het zelfstandig naamwoord. Zie ook Fsa, I, kaart 9. In vergelijking met N 15, 7 ("alle oogstwerkzaamheden te zamen") levert N 15, 8 ("graanoogst") in het geheel geen nieuw materiaal op; overal worden samenstellingen met graan (zie het lemma ''graan, koren'' 1.2.1) en van de opgave van N 15, 7 opgegeven. In het materiaal S 27 staan beide woorden oogst, eerst in de betekenis "het geheel van de werkzaamheden" en daarna in die van "opbrengst", onder elkaar en dat heeft waarschijnlijk suggestief gewerkt, vandaar de talrijke gelijkluidende antwoorden in het lemma ''oogst -opbrengst'' (4.1.3). Voor de behandeling van de varianten van het type oogst, vergelijk de toelichting bij het lemma ''oogsten'' (4.1.1). [N 15, 7 en 8; S 27; Wi 52; NE 3.V, 6g; monogr.; add. uit L 40, 8]
I-4
|
| 33076 |
oogst binnenhalen |
bijeenvaren:
bīęi̯nvārǝ (L318p Stramproy),
indoen:
endōn (L318p Stramproy)
|
Als de schoven lang genoeg gedroogd hebben op het veld wordt het graan binnengehaald. In dit lemma staan de algemene benamingen voor het vervoeren van de graanoogst van het veld naar de schuur bijeen. Dit gebeurde met dezelfde hoogkar en met hetzelfde gereedschap (gaffel) als bij de hooioogst; zie aflevering I.3, paragraaf 5, voor dit lemma met name ''hooi binnenhalen'' (5.3.1). Vaak ging het binnenhalen van de laatste kar met enige feestelijkheden gepaard. In L 286, 312 en 314 wordt aangetekend dat er dan rijstepap werd gegeten; in Q 117a dat men met deze laatste wagen een omweg maakte langs enkele café''s. In Q 19 wordt het oogstfeest martelgaus genoemd (in Q 32 wordt met ''martǝlgǭs'' de laatste te dorsen schoof aangeduid). In Q 34 wordt er op de laatste kar een meiboom meegevoerd; de laatste kar binnenhalen heet er dan ook: de mei invaren en deze uitdrukking kent men ook in Q 198b. Het kabaal dat gemaakt wordt bij het binnenhalen van de laatste kar noemt men in Q 211: ''juxǝlǝ'' (iteratief van ''juichen''), terwijl in dezelfde plaats wordt opgegeven dat één van de knechts bij die gelegenheid eerbetoon bracht ''(hǭfǝšǝ)'' aan de boerin, door haar de schoenen te poetsen (dǝ šǫ] re] māxǝ). Er konden twee kaarten van het materiaal getekend worden: één met ''halen'' als kernwoord (kaart 51), waarbij men het gezichtspunt van de boerderij inneemt en één met ''varen'' als kernwoord (kaart 52), waarbij men de handeling vanuit het gezichtspunt van het veld beziet.' [N 15, 39; JG 1a, 1b; A 16, 4d; A 23, 16.2; Lu 1, 16.2; monogr.]
I-4
|
| 20356 |
oom |
nonk:
neen
nònk (L318p Stramproy),
onkel:
cf. VD D-N s.v. "Onkel"; cf. VD F-N s.v. "oncle"; cf. Roukens s.v. "Onkel"p. 328-332
onkel (L318p Stramproy),
oom:
oom (L318p Stramproy),
neen
eum (L318p Stramproy)
|
oom; Bestaan er verschillende woorden voor een oom van vaders- en van moederskant? [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 17757 |
oor |
oor:
oor (L318p Stramproy),
ooèr (L318p Stramproy),
u.ərə (L318p Stramproy)
|
oor [DC 01 (1931)] || oren [RND]
III-1-1
|
| 26032 |
oorbomen |
oorspanten:
ōrspanjtjǝ (L318p Stramproy)
|
De twee schuine balken in de zijkanten van het achterkeuvelens van een standerdmolen. Zie ook afb. 18. [N O, 44i]
II-3
|
| 17615 |
oorlel |
oorlel:
oorlil (L318p Stramproy),
ooèrlil (L318p Stramproy)
|
oorlel [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 18237 |
oorring |
oorbel:
oerbellen (L318p Stramproy)
|
een paar oorringen [ZND 40 (1942)]
III-1-3
|
| 32519 |
oorwissen |
oorwissen:
uǝrwęsǝ (L318p Stramproy)
|
De wissen waaruit de handvatten worden vervaardigd. Zie ook afb. 278. De respondent uit Sint-Truiden (P 176) merkte op dat men voor de oren van een plukkorf riet uit Indonesië gebruikte. Men betrok dit via Antwerpse handelaren. [N 40, 73]
II-12
|
| 24361 |
oorworm |
oorworm:
oeérworm (L318p Stramproy)
|
oorworm (firficula auricularia) [DC 18 (1950)]
III-4-2
|
| 24868 |
oot |
wilde haver:
-
wilj haver (L318p Stramproy)
|
oot [wilde haver] [DC 30 (1958)]
III-4-3
|