| 33293 |
oot, wilde haver |
wilde haver:
welj ǭvǝr (L318p Stramproy)
|
Avena fatua L. Een vrij algemeen voorkomend lastig onkruid op bouwland, in korenvelden en wegbermen, dat er haverachtig uitziet met een wijde, pluimvormige aar. Het bloeit van juni tot augustus. De lengte varieert van 60 tot 120 cm. Vergelijk lemma Evene in WLD.I, afl. 4. [A 30, 2; A 60A, 81; L 49, 2; monogr.; add. uit JG 1a, 1b]
I-5
|
| 23198 |
op bedevaart gaan |
bedevaart gaan:
beejvert gaon (L318p Stramproy),
op bedevaart gaan:
op beevert gaon (L318p Stramproy)
|
Bedevaart doen [ne gank doon]. [N 06 (1960)]
III-3-3
|
| 33851 |
op hol slaan |
op (de) loop gaan:
ǫp ǝ lø̜i̯p gǭn (L318p Stramproy)
|
Aan het hollen gaan, niet meer aan het commando gehoorzamen. [JG 1a, 1b; N 8, 81f]
I-9
|
| 32920 |
op rijen zetten |
reken:
rē̜kǝ (L318p Stramproy),
scharren:
šęrǝ (L318p Stramproy)
|
Het uitgespreide gras dat de eerste droging heeft ondergaan bijeenwerken tot rijen of langwerpige heuveltjes. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hooi of gras. Wanneer het resultaat van de handeling, i.c. de rij, in het woordtype voorkomt, wordt steeds door middel van (...) verwezen naar de woordtypen van het lemma ''rij, wiers''. Om de vergelijking te vergemakkelijken is in dit lemma dezelfde volgorde van woordtypen of afleidingen daarvan aangehouden als in het lemma ''rij, wiers''. Achter in het lemma staan dan de werkwoorden bijeen die geen formeel verband met de benamingen voor de rij hebben. De kaart bevat de denominatieven van de heteroniemen voor rij, wiers en de werkwoordelijke uitdrukkingen met die heteroniemen, ook geordend zoals in het lemma ''rij, wiers''. [N 14, 100; JG 1b, 1c, 2c; A 10, 18; L 38, 36; monogr.]
I-3
|
| 17913 |
opbergen |
opbergen:
opbergen (L318p Stramproy)
|
opbergen [DC 38 (1964)]
III-1-2
|
| 29274 |
opdeunen |
duwen:
duwǝ (L318p Stramproy),
opdraaien:
opdrɛjǝ (L318p Stramproy)
|
Door middel van de deunstok de ketting- of garenboom verder draaien om zodoende de ketting van het weefsel te spannen. [N 39, 115]
II-7
|
| 26546 |
openbreken |
openbreken:
ōpǝbrę̄kǝ (L318p Stramproy)
|
De molenstenen van hun plaats nemen als ze gescherpt moeten worden. Daartoe moet de molenaar de kuip met alle toebehoren rondom de stenen verwijderen. Vervolgens licht hij de loper uit het staakijzer en legt hem omgekeerd naast de ligger, zodat het maalvlak van de loper en ligger bewerkt kan worden. De meeste in dit lemma opgenomen termen veronderstellen de (molen)stenen of de molen als object. [N O, 33g; Vds 199; Jan 178; Coe 160; Grof 194]
II-3
|
| 21275 |
opmaken |
opmaken:
gaelt opma.kə (L318p Stramproy)
|
geld opdoen (opmaken) [RND]
III-3-1
|
| 33925 |
opmaken van staart en manen |
opvlechten:
ǫpvlɛxtǝ (L318p Stramproy),
vlechten:
vlɛxtǝ (L318p Stramproy)
|
In dit lemma zijn de antwoorden op twee vragen samengebracht: "het opmaken van staart en manen" (N 8, 103a), en "een paardestaart vlechten" (N 8, 103b). De antwoorden op vraag 103a hebben immers vrijwel alleen met het opmaken en vlechten van de staart te maken. [N 8, 103a en 103b]
I-9
|
| 25713 |
opnemen |
peilen:
pęjlǝ (L318p Stramproy)
|
De werkzaamheden van de ambtenaar van financiën voor de bepaling van de te betalen accijnzen. Men stelt daartoe de bierdichtheid of densiteit (soortelijk gewicht) vast met behulp van een vloeistofweger, areometer, bierweger of vochtmeter. Als de weger op gewicht is geijkt, spreekt men van een densimeter, is deze geijkt op procenten suiker, dan spreekt men van saccharometer. De hoeveelheid bier in de ketel kan men peilen met een peilstok. [N 35, 60; monogr.]
II-2
|