| 26659 |
opzakken |
opzakken:
ǫp˲zakǝ (L318p Stramproy)
|
Meel in zakken doen en de gevulde zakken op het juiste gewicht brengen. [N O, 38l]
II-3
|
| 26205 |
opzeilen |
zeilen:
zęjlǝ (L318p Stramproy)
|
Zeilen aanbrengen. [N O, 7a]
II-3
|
| 29502 |
oren |
oren:
uǝrǝ (L318p Stramproy)
|
De handvatten die aan weerszijden van de mand bevestigd worden. Meestal worden de oren uit twee wissen gemaakt. Eerst wordt er een boogvormige, stevige beugelwis aan de mand bevestigd, waar vervolgens één of meer soepele wissen omheengedraaid worden. [N 40, 71]
II-12
|
| 34053 |
os |
os:
ø̜s (L318p Stramproy),
ǫs (L318p Stramproy)
|
Gesneden mannelijk rund [N 3A, 19; JG 1a, 1b; A 3, 37; A 4, 12; L 4, 37; L 20, 12; Wi 16; monogr.]
I-11
|
| 34021 |
ossejuk |
ossejok:
ǫsǝjōk (L318p Stramproy)
|
Vroeger werden in Limburg ook ossen of zelfs ander hoornvee als trekdier gebruikt. Hoe armer de grond, hoe meer ossen; in de Kempische zandstreek werden zelfs meer ossen dan paarden ingespannen (cf. Inleiding WLD I, afl. 9, p. VII-IX). De materiaalverzameling voor deze aflevering bevatte ook gegevens voor benamingen voor het ossetuig, maar aangezien de herinnering aan deze begrippen bij de meeste zegslieden reeds te vaag was, bleek het niet mogelijk een systematische beschrijving ervan te geven. Hieronder worden alleen de dialectvarianten van het woord juk opgenomen als simplex en als grondwoord van samenstellingen die op een deel van het ossetuig wijzen. Het ossejuk, niet te verwarren met een ossehaam, rust op de nek van de os, vóór de schoft, en is met twee staven onder de keel vastgemaakt om niet achteruit te schuiven. Aan dit juk zijn dan de strengen bevestigd waarmee het dier trekt. Twee naast elkaar ingepannen ossen droegen niet elk apart een juk, maar een zogenaamd dubbel juk. De benamingen voor dit dubbel juk (waarbij ook alleen die woordtypes zijn opgenomen waarin het simplex juk of jok voorkomt) zijn achteraan geplaatst. [JG 1a; N 13, 16a, 16b; monogr.]
I-10
|
| 24460 |
otter |
otter:
otter (L318p Stramproy)
|
otter [DC 07 (1939)]
III-4-2
|
| 22317 |
oudejaarsavond |
oudjaarsavond:
oudjaorsaovendj (L318p Stramproy),
silvesteravond:
Silvesteraoventj (L318p Stramproy),
silvésteraeventj (L318p Stramproy)
|
Oudejaarsavond [silvesteraovent]. [N 06 (1960)]
III-3-2
|
| 22318 |
oudejaarsdag |
silvesterdag:
silvésterdaag (L318p Stramproy)
|
Oudejaarsdag. [N 06 (1960)]
III-3-2
|
| 20229 |
ouders |
ouders:
oajers (L318p Stramproy, ...
L318p Stramproy)
|
ouders; Komt dit woord in het dialect wel voor? [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 25608 |
ovenpaal |
ovenschoot:
ōvǝnšoø̜t (L318p Stramproy),
ōvǝšōt (L318p Stramproy)
|
De ovenpaal is in de regel een ongeveer twee meter langer stok met een plat, rond, rechthoekig of tongvormig blad van hout of ijzer waarmee het in broodvorm opgemaakte deeg in de oven wordt geschoven. Meestal haalt men hiermee ook het gebakken brood uit de oven. Het blad loopt naar voren scherp toe om het inschieten van het brood te vergemakkelijken en vooral om bij het uittrekken de paal onder het brood te kunnen schuiven (Weyns blz. 34). Wat de woordtypen "rochelijzer", "haak", "schoffel" en mogelijk nog andere betreft moet men heel waarschijnlijk aan andersoortig gereedschap denken waarmee men toch het brood uit de oven kan halen. Zie afb. 22. [N 29, 45b; RND 57; L 40, 13a; A 44, 22; OB 2, 2d; OB 2, 2e; mat. S -daaronder valt wat A. Stevens in zijn artikel ''Zwaaide, een zuidoost-nederlandse dialektbenaming voor de broodschieter of ovenpaal'' noemt "mat. S, P, C en G"; monogr.]
II-1
|