| 18295 |
pantoffel |
pantoffel:
pantŏffele (L318p Stramproy),
petoffel (L318p Stramproy)
|
Hoe noemt men de pantoffels? [DC 09 (1940)] || Pantoffel. Thuis dragen veel mensen in plaats van schoenen pantoffels of muilen. De eerste hebben wel, de andere geen opstaande achterkant. Hoe noemt men in uw dialect die met een opstaande achterkant? [DC 44 (1969)]
III-1-3
|
| 20558 |
pap |
pap:
pap (L318p Stramproy)
|
brij; Hoe noemt U: Half vast, half vloeibaar gekookt gerecht van een heel of half gemalen graansoort (gort of meel) of rijst (brij, kwet, prol, pap) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20560 |
parelen |
prikkelen:
prikkele (L318p Stramproy)
|
parelen; Hoe noemt U: Opstijgen van luchtbelletjes in drank (parelen, kriezelen, grinselen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 26663 |
partij |
partij/parti:
parti (L318p Stramproy)
|
Zestig zakken van veertig kilo bij elkaar. [N O, 38p]
II-3
|
| 26528 |
pashamer |
hamer:
hamer (L318p Stramproy)
|
De houten of ijzeren hamer waarmee de paswiggen worden vastgezet. In dit lemma is een onderverdeling gemaakt in a) de hamers die specifiek voor het vastzetten van de paswiggen worden gebruikt, en b) hamers die ook bij andere ambachten gangbaar zijn. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛpaswiggenɛ.' [N O, 23m; A 42A, 29; Vds 235]
II-3
|
| 23237 |
pastoor |
pastoor (<lat.):
pəstù.ər (L318p Stramproy)
|
pastoor [RND]
III-3-3
|
| 26531 |
paswiggen |
spieën/spijen:
spijǝ (L318p Stramproy)
|
Stukken hout waarmee het pasblok vastgezet kan worden. Zie ook afb. 85. [N O, 23i; N O, 23h]
II-3
|
| 20685 |
patates frites |
frieten:
frietten (L318p Stramproy)
|
de staafjes aardappel die in vet gebakken en ook wel in zakjes verkocht worden? [DC 46 (1971)]
III-2-3
|
| 23296 |
pater |
pater (lat.):
pa.tər (L318p Stramproy)
|
pater [RND]
III-3-3
|
| 33492 |
peer, soorten |
peer:
paere (pl) (L318p Stramproy),
père (L318p Stramproy)
|
I-7
|