| 32749 |
spitten |
spaden:
spāi̯ǝ (L318p Stramproy)
|
In de tuin, op een zeer klein perceel of een moeilijk te ploegen hoek van een akker de grond met een spade - al dan niet in voren - uitsteken en omkeren. De simplicia spaden, graven e.d. zijn bij absoluut gebruik van toepassing op het spitwerk als zodanig. Meestal kunnen ze ook transitief gebruikt worden met het te bewerken stuk grond (de tuin e.d.) als object. [N 11, 65a; N 11A, 146a + b + c; N 11A, 50b add; RND 4 + 7 + 8 + 10, zin 4; A 33, 6 + 7 + 16 add.; L 7, 25; S 34; Lu 1, 1c; monogr.; div.]
I-1
|
| 33639 |
splijtkool |
eeuwig moes:
-
eiewigmoos (L318p Stramproy)
|
I-7
|
| 29202 |
spoelbek |
kop van de spoel:
kǫp van dǝ spūǝl (L318p Stramproy)
|
Elk van de twee puntige, ijzeren uiteinden van de weefspoel. [N 39, 105g]
II-7
|
| 19798 |
spoelen |
schuins spoelen:
šø̜ns spulǝ (L318p Stramproy)
|
Het kettinggaren of inslaggaren opspoelen van strengen of klossen op scheerklossen of spoelpijpen door middel van een pijpenspoel en kroon of een spoelmachine. [N 39, 55c; N 39, 100a]
II-7
|
| 29200 |
spoelgaatjes |
gaatjes:
gɛ̄tjǝs (L318p Stramproy)
|
Gaatjes in de wand van de weefspoel waardoor de inslagdraad naar buiten komt. [N 39, 105e]
II-7
|
| 29265 |
spoelpijp |
pijpje:
pipkǝ (L318p Stramproy)
|
Het lege of volle pijpje of klosje voor het inslaggaren dat in de weefspoel geplaatst wordt. [N 39, 100c; N 39, 100d]
II-7
|
| 29199 |
spoelriem |
stutpijp en spander:
stø̜tpīp ɛn spandǝr (L318p Stramproy)
|
Een spilletje, met eventueel daarlangs een veer, in de weefspoel waarop de spoelpijp met inslaggaren wordt bevestigd en kan draaien. [N 39, 105d; monogr.]
II-7
|
| 29201 |
spoelrollen |
rolletjes:
rø̜lkǝs (L318p Stramproy)
|
De rolletjes die soms onder de weefspoel zitten. [N 39, 105f]
II-7
|
| 25840 |
spon |
bon:
bǫn (L318p Stramproy)
|
Stop waarmee men het vulgat van een vat kan sluiten. De opgave "bon" uit L 318 is volgens Claessen (pag. 2. 54) een verbastering van "bom". [N 35, 92; N 35, 93; add.; monogr.]
II-2
|
| 25842 |
spongat |
bongat:
bongāt (L318p Stramproy)
|
Het vulgat van een vat dat met een spon gesloten wordt. [N 35, 92 add.; N 35, 93 add.; monogr.]
II-2
|