| 29248 |
sprong - van de ketting |
kruising:
krȳseŋ (L318p Stramproy)
|
Afstand tussen twee lagen kettingdraden; de V-vormige ruimte die tussen de kettingdraden ontstaat als een gedeelte ervan geheven is om de schietspoel door te laten. [N 39, 85a; monogr.]
II-7
|
| 29269 |
sprong wisselen |
kruisen:
krȳsǝ (L318p Stramproy)
|
Het op en neer gaan van de kammen met het daarin geregen garen, doordat men telkens de sprong opentreedt. [N 39, 109b]
II-7
|
| 21007 |
spruiten |
spruitbalken:
sprūt˱bɛlǝk (L318p Stramproy),
spruiten:
sproeten (L318p Stramproy),
sprūtǝ (L318p Stramproy)
|
De twee dwarsbalken - een korte en een lange - die door de molenkap lopen en daar aan weerszijden uitsteken. Aan de uiteinden van de spruiten zijn de schoren bevestigd. Zie ook afb. 25 en 26. [N O, 52a; Sche 27; A 42A, 86] || spruitkool, spruiten als gerecht [N Q (1966)]
II-3, III-2-3
|
| 33637 |
spruitkool, spruitje |
spruiten:
sproeten (L318p Stramproy)
|
[N Q (1966)]
I-7
|
| 26295 |
staakijzer van de windmolen |
staakijzer:
stākīzǝr (L318p Stramproy
[(id)]
)
|
De rechtstaande spil in de windmolen waaraan aan de bovenzijde het rondsel of de bonkelaar is bevestigd en aan de onderzijde de klauw die in de rijn van de loper past. Zie ook afb. 64.29 en 59. Achter de plaatscode is tussen haakjes vermeld van welk materiaal het staakijzer was vervaardigd. Zie ook het lemma ɛstaakijzer van de watermolenɛ.' [N O, 14i; N O, 14o; A 42A, 14; A 42A, 15; Sche 43; A 42A, 22]
II-3
|
| 17819 |
staan |
staan:
sjtoan (L318p Stramproy),
staon (L318p Stramproy),
stāōn (L318p Stramproy)
|
staan [DC 02 (1932)]
III-1-2
|
| 20125 |
staart |
staart:
stert (L318p Stramproy, ...
L318p Stramproy),
stɛrt (L318p Stramproy, ...
L318p Stramproy)
|
[A 2, 37; L 29, 27; S 35; monogr.]staart [DC 02 (1932)] || Zie afbeelding 2.37. [JG 1a, 1b; RND 60]
I-11, I-9, III-4-2
|
| 26111 |
staart van de hollandse molen |
kruiwerk:
krȳjwɛrǝk (L318p Stramproy),
staartwerk:
stɛrtwɛ̄rǝk (L318p Stramproy)
|
De twee korte schoren, de twee lange schoren en de staartbalk van de Hollandse molen samen. Zie ook afb. 25. [N O, 52f; Sche 25; monogr.]
II-3
|
| 26066 |
staart van de standerdmolen |
bovenste staartstuk:
bǭ.vǝstǝ stɛrtstø̜k (L318p Stramproy),
onderste staartstuk:
oŋǝrstǝ stɛrtstø̜k (L318p Stramproy),
staart:
stɛrt (L318p Stramproy)
|
De lange naar voren stekende balk aan de voorweeg van de standerdmolen, die schuin naar beneden loopt en waaraan trap en kruias bevestigd zijn; soms zijn er twee balken: de onderstaart en de bovenstaart. Zie ook afb. 21 en 85. [N O, 48a; Sche 19; monogr.; N O, 48b; N O, 48c; A 42A, 97 add.]
II-3
|
| 26110 |
staartbalk van de hollandse molen |
staartbalk:
stɛrt˱balǝk (L318p Stramproy)
|
De middelste balk van de staart van de Hollandse molen die vanaf de achterkant van de molenkap tussen de vier schoren naar beneden loopt. Zie ook afb. 25 en de toelichting bij het lemma ɛstaart van de Hollandse molenɛ.' [N O, 52e; Sche 25; monogr.]
II-3
|