| 26122 |
staartklamp |
staartklamp:
stɛrtklamp (L318p Stramproy)
|
De klamp aan de onderzijde van de staartbalk van de Hollandse molen. Met behulp van de staartklamp wordt de staartbalk vastgezet. [N O, 52g]
II-3
|
| 21272 |
stad |
stad:
stat (L318p Stramproy)
|
stad [RND]
III-3-1
|
| 28377 |
stal |
stal:
sta.l (L318p Stramproy)
|
Een ruimte in het algemeen, die onderdak biedt aan vee. De benamingen kunnen zowel het gebouw, als de ruimte daarbinnen betreffen. Meestal wordt kortheidshalve van "de stal" gesproken, als men het veeverblijf en met name de koestal bedoelt. [JG 1a en 1b; Wi 11; S 50; L A1, 4; RND 97; monogr.; add. uit N 5A, passim]
I-6
|
| 33928 |
stalband |
riem:
rēm (L318p Stramproy),
stalketting:
stalkęteŋ (L318p Stramproy)
|
Leren band om de hals van het paard, waaraan de lijn of teugel wordt vastgemaakt om het op stal vast te binden. Vergelijk ook lemma Halster. [JG 1a; N 8, 91; N 13, 18b]
I-10
|
| 24728 |
stam van de knotwilg |
snoets:
snoes (L318p Stramproy),
soets:
soets (L318p Stramproy),
soets(e) (L318p Stramproy),
sōēts (L318p Stramproy)
|
de ± 2 m. hoge stam van de knotwilg [DC 13 (1945)] || knotwilgstam [DC 13 (1945)]
III-4-3
|
| 25936 |
stand voor het midden |
rouwstand:
rouwstand (L318p Stramproy)
|
De stand waarbij de rechtstaande roede net vōōr het midden is. De bovenste wiek bevindt zich dan rechts van een denkbeeldige, verticale lijn. Zie ook afb. 4. Invullers uit K 357, l 330 en P 51 kenden voor deze stand geen specifieke naam. In de drie plaatsen was de betekenis echter: ø̄sterfgeval in de familieø̄. Achter de plaatscode is tussen ronde haken opgenomen wat de stand vōōr het midden in de betreffende plaats betekende. [N O, 8d; N O, 8c; N O, 8f]
II-3
|
| 25934 |
stand voorbij het midden |
op de bil:
ǫp ǝ bel (L318p Stramproy)
|
De stand waarbij de rechtstaande roede net voorbij het midden is. De bovenste wiek bevindt zich dan links van een denkbeeldige, verticale lijn. Zie ook afb. 3. In l 265 kon men aan deze stand zien dat er niet gemalen werd wegens reparaties, terwijl in K 353, l 289, l 318, l 321 en l 374 bij deze stand de molenstenen gescherpt werden. In K 357 en P 51 werd het wiekenkruis zo geplaatst bij een geboorte in de familie van de molenaar. In l 164 duidde de stand in het algemeen vreugde aan, bijvoorbeeld ter gelegenheid van een geboorte. In l 289 en l 316 daarentegen werd de stand gebruikt om rouw aan te geven. Achter de plaatscode is tussen ronde haken opgenomen wat de stand voorbij het midden in de betreffende plaats betekende. [N O, 8c; N O, 8e; N O, 34a add.]
II-3
|
| 22730 |
standbeeld |
standbeeld:
stantbe.ltsj (L318p Stramproy)
|
standbeeld [RND]
III-3-2
|
| 25987 |
standerd |
staanderik:
stɛnjǝrek (L318p Stramproy)
|
De zware verticale houten balk waar de vierkante romp of molenkast van de standerdmolen op rust. Zie ook afb. 12. [N O, 42a; A 42A, 90; Sche 12]
II-3
|
| 25988 |
standerdband |
band:
bantj (L318p Stramproy)
|
De brede ijzeren band ter versteviging om de standerdnok. [N O, 42b]
II-3
|