| 29140 |
strengen |
hachten:
haxtǝ (L318p Stramproy)
|
Aanvulling van het lemma strengen in wld I.10: kettingen of touwen waarmee een paard de kar of wagen trekt. [N 17, 26; N 5A II, 59c; monogr.]
I-13
|
| 32649 |
strijkbord, riester |
riester:
rēstǝr (L318p Stramproy)
|
Het strijkbord, riester of rooster is het op de ploegschaar volgend ijzeren (vroeger houten) blad, dat de grond die door kouter en schaar is losgesneden, omkeert en in de vorige voor schuift. Men zie ook de toelichting bij het lemma ploegschaar. [A 26, 6; Lu 4, 6; JG 1a + 1b; N 11, 31.I.a; N 11A, 85d + 87b + 88b + 89c; monogr.]
I-1
|
| 22085 |
stro |
fijn korenstro:
fīn kōrǝnstruǝj (L318p Stramproy),
fijn roggestro:
fijn roggestro (L318p Stramproy),
schoven:
šø̜jf (L318p Stramproy),
schovenstro:
šø̜jfstrō (L318p Stramproy),
stro/strouw:
struǝ (L318p Stramproy)
|
Halmen van gedorst koren. De algemene benaming. Zie ook de toelichting bij paragraaf 6.4. [JG 1a, 1b, 2c; L 7, 60a; R [s], 6; S 36; Wi 4; monogr.; add. uit N 5, 83] || Stro, grondstof voor de stro- of buntgrasvlechter. Het meest geschikt van alle strosoorten is roggestro. Het is fijn en buigzaam en daarom voor het vlechtwerk zeer goed bruikbaar. Bij het vlechten bundelt de vlechter het stro tot een bepaalde dikte en bindt het samen met braamstengels, wilgetwijgen of pitband. [N 40, 119]
I-4, II-6
|
| 28701 |
stro of buntgras bijsteken |
de tuit vullen:
dǝ tūt vø̜lǝ (L318p Stramproy)
|
Na de tweede ronde moet men stro of buntgras bijsteken om de bundel op de gewenste dikte te krijgen. De vlechtring wordt hiertoe op enkele centimeters afstand van de laatste wikkeling geschoven (Brekelmans, pag. 24). Stro steekt men binnen in de strobundel tot in de vlechtring. Voordat men de laatste of verschillende laatste wikkelingen aantrekt, moet men het stro een halve slag draaien. Hierdoor worden de stropijpjes dichtgedraaid en krijgt men stevigheid in de bundel. Dit wringen is bij buntgras niet mogelijk. Het is stugger dan stro. Men kan de bundel buntgras tot in de laatste wikkeling bijsteken. [N 40, 132]
II-6
|
| 28691 |
stro- of buntgrasvlechter |
strooivlechter:
struǝjvlɛxtǝr (L318p Stramproy)
|
De persoon die vlechtwerk van stro of buntgras maakt. Het woordtype dakdekker duidt op het feit dat de dakdekker zijn beroep wel eens combineert met dat van de buntgrasvlechter. Tot in de twintigste eeuw toe waren het vooral kleine boeren op de zandgronden die het boeren combineerden met korfvlechten en imkeren. Het korfvlechten kon bij voorkeur in de wintermaanden gebeuren, wanneer er toch niets op het land te doen viel. [N 40, 130]
II-6
|
| 21093 |
stroef |
sleeuw:
slieë (L318p Stramproy)
|
stroef [DC 26 (1954)]
III-2-3
|
| 33856 |
strompelend lopen bij het aantrekken |
strobbelen:
strobǝlǝ (L318p Stramproy)
|
[N 8, 62k, 73, 79 en 80]
I-9
|
| 24636 |
stronk van de knotwilg |
strabbe:
strab (L318p Stramproy),
strab(be) (L318p Stramproy)
|
afgekapt onderstuk vd knotwilg [DC 13 (1945)] || het korte onderstuk van de knotwilg, dat blijft staan als de wilg vlak boven de grond wordt afgekapt [DC 13 (1945)]
III-4-3
|
| 33715 |
stronk, boomstronk |
puist:
pust (L318p Stramproy)
|
Wat blijft staan, de stomp met wortels, als een boom omgehakt is. [N 27, 8a; R 3, 2; Wi 11; L 7, 59; L B2, 343; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33591 |
stronk, stengel van koolplanten |
koolstronk:
koeəlstrunk (L318p Stramproy)
|
koolstengels die op het veld blijven staan [N Q (1966)]
I-7
|