| 29181 |
tredeblok |
koppen:
kǫp (L318p Stramproy)
|
Elk van de blokjes hout met openingen, onder de achterschei, waarin de uiteinden van de treden rond een spil kunnen draaien. [N 39, 39b]
II-7
|
| 24257 |
treden |
schemels:
šēmǝls (L318p Stramproy)
|
De stevige latten onder aan het getouw, haaks op en onder de weefkam, die dienen als voetpedalen om kamwisseling mogelijk te maken. [N 39, 39a]
II-7
|
| 20485 |
trek, eetlust |
zin:
zin (L318p Stramproy)
|
trek; Hoe noemt U: Zin in eten (trek, appertijt, appetijt, goesting, kop) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33955 |
trekhaken, -ogen |
haamhaken:
hāmhø̜̄k (L318p Stramproy)
|
IJzeren haken of ogen die aan de voorkant van het haam aan de haamijzers of treiten bevestigd zijn, op elke haamspaan een. Aan die haken of ogen worden de strengen bevestigd waarmee het paard trekt. Er zijn hamen met ogen, dan hebben de strengen aan het uiteinde haken, heeft het haam daarentegen haken, dan zijn de strengen aan het uiteinde van ogen voorzien. [JG 1a, 1b, 2b; N 13, 6a en 6b; N 36, 12]
I-10
|
| 29194 |
trekklos |
klosje:
klø̜skǝ (L318p Stramproy),
kluppeltje:
klø̜pǝlkǝ (L318p Stramproy),
stekje:
stękskǝ (L318p Stramproy)
|
Het handvat aan de zweep waaraan getrokken wordt, zodat de jagers de weefspoel door de sprong van de ketting kunnen doen vliegen. [N 39, 49b]
II-7
|
| 26326 |
trekkoord |
luiwerktouw:
lø̜jwęrǝktǫw (L318p Stramproy)
|
Het touw waarmee het luiwerk in werking gezet wordt. [N O, 25m]
II-3
|
| 34589 |
trekschei |
trekschei:
trɛkšęi̯ (L318p Stramproy)
|
De eerste van de verbindingscheien tussen de berries. Aan de uitstekende delen schei werden vaak de trekkettingen of de strengen vastgemaakt met behulp van platte, gebogen ijzers. Zie ook het lemma uitstekende delen van de trekschei en in WLD I.10, het lemma strengen. Zowel het feit dat er opgaven in het meervoud voorkomen als de opmerking van de correspondent uit Q 111 wijzen erop dat ook de tweede schei als trekschei gebruikt wordt: "het vastmaken van de strengen is hier gebruikelijk aan het tweede balkje indien licht geladen, anders aan het eerste balkje". Opmerking bij de kaart: er zijn vier benamingen die op het eerste zicht samenstellingen zijn van de plaatselijke benaming voor "streng" (hacht, kling, klink en trek). De verspreiding van "trekschei" stemt echter hoegenaamd niet overeen met de verspreiding van trek voor "streng", wat doet besluiten dat het hier om een samenstelling met een deverbativum van het werkwoord trekken gaat (vgl. hiervoor kaart 16 van wld I.10). [N 17, 25a; N G, 58b; JG 1a; JG 1b]
I-13
|
| 25675 |
trieur |
moutpoets:
mǫwtputs (L318p Stramproy),
trieur:
trijø̄r (L318p Stramproy)
|
Een modernere en volmaaktere uitvoering van de wanmolen. In de mouterij in L 331 hanteert men de trieur om halve korrels en zaden te verwijderen, terwijl men voor het uitlezen van de te kleine korrels met een sorteerder of sorteermachine werkt. In L 318 gebruikt men de wanmolen ook voor het reinigen van de gerst. Zie ook het lemma ''wanmolen''. [N 35, 1; N 35, 8; monogr.]
II-2
|
| 33892 |
troebele ogen |
(het heeft) brand (op de ogen):
brantj (L318p Stramproy),
droezig:
drusex (L318p Stramproy)
|
[N 8, 94g]
I-9
|
| 22861 |
trommeltje |
trommetje:
trömkə (L318p Stramproy)
|
trommeltje [RND]
III-3-2
|