| 20726 |
vet |
dunne olie:
dønǝn ōli (L318p Stramproy),
smout:
smǭt (L318p Stramproy)
|
Vet of raapolie waarmee men het kettinggaren glijdend maakt. Volgens de informant van L 318 wordt dunne olie bij grof doek gebruikt. [N 39, 95b]
II-7
|
| 29261 |
vetten |
gladmaken:
glātmākǝ (L318p Stramproy)
|
Het met vet glijdend maken van het kettinggaren, zodat het gemakkelijk door kam en riet kan gaan. [N 39, 95a]
II-7
|
| 33756 |
veulen |
veulen:
vø̄lǝ (L318p Stramproy)
|
Jong paard, gewoonlijk tot de leeftijd van twee en een half jaar. [JG 1a, 1b; A 4, 2d; L 20, 2d; L A1, 262; N 8, 1; Gwn 5, 10; RND 107; S 40; Wi 4; monogr.]
I-9
|
| 22832 |
vieren |
vieren:
gəve:rtsj (L318p Stramproy)
|
gevierd [RND]
III-3-2
|
| 26487 |
viertakrijn |
rijn:
rīn (L318p Stramproy)
|
Rijn met vier rijntakken. [N O, 15d; A 42A, 21; Vds 132; Coe 101; N O, 15b; N O, 15c]
II-3
|
| 21089 |
vierurenboterham |
koffietijd:
koffietied (L318p Stramproy)
|
koffietijd: schaftkwartier ca. 4 uur
III-2-3
|
| 20574 |
vieruursboterham |
koffie, de -:
koffie (L318p Stramproy, ...
L318p Stramproy),
koffiedrinken, het -:
koffiedrinke (L318p Stramproy),
koffietijd:
koffietīēt (L318p Stramproy)
|
de maaltijd met brood rond 4 uur [N 07 (1961)] || maaltijden; Hoe noemt U: Namen voor de verschillende maaltijden, afhankelijk van de tijd van de dag, eventueel van het jaar [N 80 (1980)] || namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 16 uur [ZND 18G (1935)] || namen en uren van de dagelijkse maaltijden: namiddag [ZND 18G (1935)]
III-2-3
|
| 25354 |
vijl |
vijl:
vīl (L318p Stramproy)
|
In het algemeen een staafvormig stalen werktuig met inkepingen voor het bewerken, slijpen of gladmaken van harde materialen. Zie ook het lemma ɛvijlɛ in wld II.11, pag. 69. Het materiaal hier vormt een aanvulling op dit lemma.' [S 40; A 14, 12a, add.; monogr.]
II-12
|
| 25951 |
vijler |
vijlder:
vildǝr (L318p Stramproy)
|
Een molenaar die regelmatig draait zonder graan. [N O, 40c]
II-3
|
| 24961 |
vijver |
vijver:
vīvǝr (L318p Stramproy)
|
Kleine, natuurlijke of (meest) gegraven, vaak omsloten waterplas. Vroeger groef men vaak vijvers om er vis in te houden. Tegenwoordig is de vijver vaak een deel van een park- of tuinaanleg. [R 7, 18; S 40; A 20, 1e; L 8, 47; monogr.]
I-8
|