| 33283 |
vlas hagen |
in een haag zetten:
en ǝn hāx zɛtǝ (L318p Stramproy)
|
Het op rijen zetten van vlas. In de twee Leuvense vragenlijsten is gevraagd naar het "hagen" van vlas of stenen (voor dit laatste zie aflevering II.8, lemma Hagen); wanneer is aangegeven dat de opgave op stenen betrekking heeft, is deze hier weggelaten. [L 1, a-m; L 26, 10]
I-5
|
| 32501 |
vlechten van de bodem |
bodem maken:
bōm mākǝ (L318p Stramproy),
bōǝm mākǝ (L318p Stramproy)
|
Het vlechten van de bodem, waarbij de tenen tussen de bodemstekken door worden gehaald. Zie ook afb. 271. [N 40, 47; monogr.]
II-12
|
| 32509 |
vlechthoepel |
reep:
ręjp (L318p Stramproy)
|
De hoepel die de rechtopstaande wissen voorlopig bijelkaar houdt. Het omdoen van de hoepel wordt in Neeritter (L 321) bijeenbinden (bęjęjnbenjǝ) genoemd. [N 40, 53]
II-12
|
| 28699 |
vlechtnaald, vlechtpriem |
els:
els (L318p Stramproy),
kaarnaald:
kaarnaald (L318p Stramproy),
kaarnalie:
kārnǭli (L318p Stramproy)
|
Naald of priem waarmee men een gaatje in het stro of buntgras steekt om de vlechtband erdoor te kunnen steken, voordat men de bundel stro of buntgras met de vlechtband aantrekt. Vroeger kende men priemen van schape- of geitebot (Brekelmans, pag. 19). Volgens de informant van L 318 werd een kaarnaald gemaakt uit been of palmehout. Een rond houtje, een spijker of een ronde priem kunnen ook voldoen. Voor buntgras moet men echter een platte priem gebruiken. Sommige vlechters werken met een holle priem. Deze wordt door het stro of buntgras gestoken waarna men de vlechtband door de holle kant trekt. [N 40, 127; N 40, 128]
II-6
|
| 28698 |
vlechtring |
kaartuit:
kārtūt (L318p Stramproy)
|
Ring of huls die men bij het vlechten rond de bundel stro of buntgras schuift. Hiermee wordt deze bundel op gelijke dikte gehouden. Voorheen werd de vlechtring van het dikste gedeelte van een koehoorn gezaagd of van een bot of mergpijp gehaald. Tegenwoordig hanteert men een buisje van metaal, een stukje aluminium of PVC. De wijdte van een vlechtring is afhankelijk van de dikte van het bundeltje stro of buntgras en van de fijn- of grofheid van het vlechtwerk. [N 40, 126]
II-6
|
| 24457 |
vleermuis |
vleermuis:
flairmōēs (L318p Stramproy)
|
vleermuis [DC 40 (1965)]
III-4-2
|
| 20944 |
vlees |
vlees:
vleis (L318p Stramproy, ...
L318p Stramproy)
|
vlees [DC 03 (1934)]
III-2-3
|
| 32553 |
vleesmand |
vleeskorf:
vlęjskørǝf (L318p Stramproy)
|
Mand waarin de slager vlees naar de markt of naar de klant bracht. [N 40, 95; N 40, 110; N 40, 111; N 40, 112; N 40, 115]
II-12
|
| 33113 |
vlegelstok |
steel:
stēl (L318p Stramproy)
|
De steel van de vlegel die de dorser in de hand houdt. De lengte van de steel "behoort van de kin van dorser tot de grond te reiken" (Goossens, Lic. Verh.), of, naar de zegsman van L 325: "is tweeēneenhalf maal de kop in lengte". Het regelmatig voorvoegsel vlegel(s)- is niet in dit lemma opgenomen. Zie afbeelding 10, a. [Goossens, Lic. Verh.]
I-4
|
| 34378 |
vleiwoord voor het varken |
kuusje:
kuskǝ (L318p Stramproy),
varkentje:
vɛrkskǝ (L318p Stramproy)
|
[VC 14, 2c v]
I-12
|