| 32621 |
kraan van de metalen gierton |
kraan:
krān (L318p Stramproy)
|
De kraan van de zinken gierton bestaat uit een korte, met een schuif of klep te sluiten buis, die van achteren voorzien is van of zich voortzet in een schuine of opgebogen lip of plaat. Als de kraan geopend is, stroomt de gier uit de ton tegen deze lip op waardoor zij zich in een wijde boog verspreidt. De in dit lemma opgenomen termen hebben achtereenvolgens betrekking op de kraan, het sluitstuk als geheel, het gierverspreidend onderdeel daarvan en de schuif of klep waarmee de kraan geopend en gesloten wordt. [JG 1a + 1b; N P, 6; N 11A, 54c; monogr.]
I-1
|
| 33896 |
krampig |
krampig:
krɛmpex (L318p Stramproy)
|
Gezegd van een paard dat kramp in de benen heeft. Vooral als de paarden een tijdje gestaan hebben, zijn ze erg stijf in de achterpoten. Het paard gaat als een haan. Zie ook het lemma ''hanetred'' (7.29). [N 8, 94c]
I-9
|
| 24339 |
krekel |
krekel:
kirkel (L318p Stramproy)
|
krekel [DC 07 (1939)]
III-4-2
|
| 20707 |
krentenbrood |
krentenmik:
krintemik (L318p Stramproy)
|
wittebrood met alleen krenten [DC 053A (1978)]
III-2-3
|
| 18146 |
kreupel |
kreupel:
kreupel (L318p Stramproy)
|
Kreupel - Kent men in uw dialect het volgende woord in dezelfde of een min of meer afwijkende vorm, zoals b.v. krepel naast kreupel. [DC 17 (1949)]
III-1-2
|
| 33910 |
kreupel zijn |
(een) kreupele:
krø̄pǝlǝ (L318p Stramproy),
(het is/staat) kreupel:
krø̄pǝl (L318p Stramproy)
|
[JG 1a; N 8, 62k en 94f]
I-9
|
| 33831 |
kribbebijter |
kribbebijter:
krøbǝbitǝr (L318p Stramproy)
|
Nerveus paard dat met de snijtanden in de kribbe of op een ander hard voorwerp bijt, de lucht hoorbaar naar binnen zuigt en kreunt. Dit leidt dikwijls tot indigestie. Een kribbebijter is te herkennen aan de sterke afslijting van de wrijfvlakken, vooral aan de voorrand der snijtanden. Een kribbebijter zuigt wel lucht op; het woord is echter geen synoniem van windzuiger (4.4.5). [JG 1a, 1b; A 48A, 41b; N 8, 62o en 84f; add. uit N 52]
I-9
|
| 32505 |
krokken |
knikken:
knekǝ (L318p Stramproy),
krokken:
krø̜kǝ (L318p Stramproy)
|
Het ombuigen van de in de bodem gestoken wissen, zodat ze rechtop gaan staan. Voor men de wissen rechtop kan zetten, moeten deze eerst met een krokmes aangeprikt worden. Zie ook het volgende lemma. [N 40, 51]
II-12
|
| 32506 |
krokmes |
kniep:
knīǝp (L318p Stramproy)
|
Mes voor het aanprikken van opstaande wissen, zodat deze zonder te breken omgebogen kunnen worden. Zie ook afb. 274. [N 40, 52]
II-12
|
| 26015 |
kroonstijl |
kroonstijl:
krūǝnstīl (L318p Stramproy)
|
De verbindingsbalk in het midden van de bovenkant van elk der zijwegen, tussen daklijst en steenlijst. Zie ook afb. 14 en 16. [N O, 43i]
II-3
|