| 34586 |
lamoen |
raam:
raam (L318p Stramproy)
|
Het voorstel in z''n geheel: de twee berries en de verbindingsscheien. De benaming voor het lamoen komt voornamelijk voor in het zuidoosten van Belgisch Limburg en in het zuiden van Nederlands Limburg. [N 17, 50b + 90; N G, 54b + 56h + 64a; JG 1a; JG 1b; JG 1d; JG 2c; L 32, 63; L 34, 10; A 27, 20; Lu 5, 20]
I-13
|
| 19485 |
lampenpit |
wiek:
week (L318p Stramproy)
|
lampepit van katoen in een petroleumlamp (limet, lemmet, lemment, lemmert) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 33640 |
landerijen |
akker:
akǝr (L318p Stramproy),
land:
lanjtj (L318p Stramproy),
veld:
vɛljtj (L318p Stramproy)
|
Het geheel van bebouwde akkers, weilanden en velden, behorend bij een boerderij. [N 6, 33a; N 5A, 76d; A 10, 3; A 11, 4; A 20, 1b; JG 1b, 1d; L 37, 11a; L 38, 23; L 44, 27; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 32822 |
landrol |
wel:
wɛl (L318p Stramproy)
|
De vroeger houten, later ijzeren rol om aard-kluiten van geploegd land te breken, de akker vlak te maken, het zaad in de aarde vast te drukken, enz. Zie afb. 81 en 82. [JG 1a + 1b; N 11, 86; N 11A, 183 + 185; N J, 10 add.; N P, 20 add.; A 40, 9; monogr.]
I-2
|
| 33787 |
lang ruw haar rond buik en uier |
duivelshaar:
dyvǝlshǭr (L318p Stramproy)
|
Eerste haar dat een veulen verliest. [N 8, 23]
I-9
|
| 33838 |
langbenig paard |
reiger:
ręi̯gǝr (L318p Stramproy)
|
[N 8, 20 en 62i]
I-9
|
| 18599 |
lange onderbroek? |
onderboks voor mannen:
ongerboks veur manne (L318p Stramproy)
|
Lange onderbroek voor mannen. [DC 62 (1987)]
III-1-3
|
| 26109 |
lange spruit |
lange spruit:
laŋǝ sprūt (L318p Stramproy)
|
De langste van de twee spruiten. Zie ook afb. 25 en 26 en de toelichting bij het lemma ɛspruitenɛ.' [N O, 52b; N O, 52a; N O, 51a; monogr; A 42A, 107 add.]
II-3
|
| 33774 |
langwerpige streep van voorhoofd tot neus |
witte streep:
wetǝ strēp (L318p Stramproy)
|
Lange, witte streep over de paardekop tot halverwege de neus, naar de vorm in verschillende soorten onderscheiden: ''halve'' en ''doorlopende bles'', ''smalle'' en ''brede bles'', en als ze de hele snuit wit kleur: witte muil, snuit. Zie ook het vorige lemma met ''bles'' in de betekenis van een naar voren hangend haarbosje. Zie afbeelding 4. [JG 1a, 1b; N 8, 27b]
I-9
|
| 25079 |
langzaam, traag |
langzaam:
langsum (L318p Stramproy)
|
langzaam (lui, traag, stil, telijig) [DC 39 (1965)]
III-4-4
|