| 18475 |
gespenbottine |
schoen met een riempje:
sjoon mit ei reemke (L432p Susteren)
|
gesp [schoenen m.e. ~ ] [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 18696 |
gesteven voorstuk van een overhemd |
frontje:
fruntje (L432p Susteren)
|
voorstuk, gesteven ~ van een overhemd [fruntje, plastron] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18543 |
gestreepte broek |
gestreepte boks:
gesjriepte bóks (L432p Susteren)
|
broek, gestreepte ~ van jacquet of kort zwart pak [striepkesboks] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 22404 |
getalzijde van een geldstuk |
munt:
mønjt (L432p Susteren)
|
De getalzijde van een geldstuk [letter, oppers, munt]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 18828 |
getob; tobben |
gehannes:
gəhànnəs (L432p Susteren),
gemartel:
gemartel (L432p Susteren),
gesukkel:
gesukkel (L432p Susteren),
gəsukkəl (L432p Susteren)
|
gemartel [SGV (1914)] || het getob om iets gedaan te krijgen [gevil, vilderij, plagerij, gesukkel] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 20315 |
getrouwde vrouw |
getrouwde vrouw:
gətròwdə vròw (L432p Susteren)
|
getrouwde vrouw; een - - moet kunnen naaien [RND]
III-2-2
|
| 20369 |
getuige |
getuige:
getuuge (L432p Susteren),
gətūūgə (L432p Susteren)
|
iemand die voor de rechter een verklaring aflegt over te bewijzen feiten [toon, getuige] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 20388 |
getuige zijn |
getuige zijn:
getuge zeen (L432p Susteren),
getuigen:
gətūūgə (L432p Susteren)
|
getuige zijn bij een huwelijk [getuigen zijn, bronken] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 21321 |
getuigen |
getuigen:
getuuge (L432p Susteren),
[overgeheveld van lm. getuigenis, geen begrip getuigen in N 90, RK]
getuuge (L432p Susteren)
|
de verklaring die men als getuige aflegt over een persoon of een zaak [toon, getuige, getuigenis] [N 90 (1982)] || getuigen [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 21725 |
getuigenis |
getuigenis:
gətūūgənis (L432p Susteren)
|
de verklaring die men als getuige aflegt over een persoon of een zaak [toon, getuige, getuigenis] [N 90 (1982)]
III-3-1
|