| 18947 |
ondeugend, stout |
ondeugend:
ondeugent (L432p Susteren),
óndeugənt (L432p Susteren)
|
stout, niet gehoorzamend aan bevelen, vooral gezegd van kinderen [ondeugend, ondeugendig, deugnietachtig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18948 |
ondeugende vrouw |
loeder:
loeder (L432p Susteren),
sloerie:
sjlōērĭĕ (L432p Susteren)
|
een vrouw die zich niet aan de zedelijke normen houdt, zich niet volgens deze gedraagt, en zich er niet aan stoort [loeter] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 32697 |
ondiep ploegen |
belken:
bęlkǝ (L432p Susteren)
|
De termen die in dit lemma zijn opgenomen, hebben met elkaar gemeen dat zij toepasselijk zijn op de een of andere manier van ondiep ploegen, waarbij de grond minder diep wordt losgesneden en ook veel minder wordt omgekeerd dan bij het ploegen van de zaaivoor het geval is. Men beploegt het land met een ondiepe en vaak ook brede voor a) als het de bewerking van een stoppelveld betreft (vergelijk het betrokken lemma); b) als in het late najaar een akker op de wintervoor gelegd moet worden (zie dat lemma), waarbij men mest oppervlakkig kan onderploegen (zie het betreffende lemma); c) bij de bewerking van braakland of van een hardliggende, met onkruid begroeide akker; d) als bij het scheuren van een weide eerst de grasmat wordt afgeploegd (vergelijk het lemma een weide scheuren). Voor deze manier van ploegen gebruikte men vroeger een eenscharige (voet)ploeg zonder voorschaar en vaak ook zonder kouter, later vooral een meerscharige ploeg met kleine scharen. Het land kon ook met de cultivator ondiep bewerkt worden. Voor de varianten die hieronder (geheel of deels) in de (...)-vorm zijn vermeld, zie men de lemmata ondiep en ploegen. [JG 1b; N 11, 45 + 47; N 11A, 108b + 109a; N P, 12 add.; A 20, 1b add.; monogr.]
I-1
|
| 21883 |
oneerlijk behaalde winst |
foetelgeld:
fōētəlgèljt (L432p Susteren)
|
oneerlijk behaalde winst [buit] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 19305 |
oneerlijk(heid) |
gekonkel:
gekónkel (L432p Susteren),
oneerlijk:
óneirlik (L432p Susteren),
ónîerlik (L432p Susteren)
|
liegend en bedriegend [onreins, oneerlijk] [N 85 (1981)] || opzettelijk bedrog [konkelfoes, konterband] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 24527 |
oneetbare bes |
giftige bes:
WBD/WLD
giftige bès (L432p Susteren)
|
Een bes die niet geschikt is voor consumptie (kral, vergifbezie). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 25064 |
oneven, niet door twee deelbaar |
omp:
ömp (L432p Susteren),
oneven:
ónéévə (L432p Susteren)
|
niet door twee deelbaar, gezegd van een aantal [on, oneven, onk, omp] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 18975 |
onfatsoenlijk |
onfatsoenlijk:
onfatsoenlik (L432p Susteren),
vies:
vīēs (L432p Susteren)
|
in strijd met het fantsoen, met de goede manieren [vies, onfatsoenlijk] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 30020 |
ongebluste kalk |
ongebluste kalk:
ongǝblø̜s˱dǝ kalǝk (L432p Susteren)
|
Gebrande kalk die nog niet met water is aangelengd. Schelpkalk, steenkalk en mergelkalk zijn verschillende soorten ongebluste kalk. Zie ook de toelichting bij deze lemmata. De term 'kluitkalk' wordt gebruikt voor Luikse kalk die als grondstof de Belgische hardsteen heeft (Zwiers I, pag. 591). [N 30, 29a; monogr.]
II-9
|
| 24360 |
ongedierte, algemeen |
ongesiefer:
óngesiefer (L432p Susteren)
|
gedierte, klein ~ (verzamelnaam voor insecten, wormen, spinnen enz.) [gediert, ongediert, gewörmt, ongesiefer] [N 26 (1964)]
III-4-2
|