| 18671 |
doordeweekse kleren |
`s werkdaagse kleren:
sjwerdèsse kleijer (L331p Swalmen)
|
door-de-weekse kleren [t s werkendagse dinge, werkdinge] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 23468 |
doordeweekse mis |
misje:
mèske (L331p Swalmen)
|
Een door-de-weekse mis. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 24986 |
doordrenken, nat maken |
nat maken:
naat make (L331p Swalmen)
|
met een vloeistof doordrenken; nat maken [platsen, pletsen, plodderen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 24477 |
doorn, stekel |
doorn:
dôrə (L331p Swalmen),
doorn (mv.):
döör (L331p Swalmen),
døͅr (L331p Swalmen)
|
doorn [SGV (1914)] || doornen [RND] || doorns [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 24619 |
doornstruik |
doornenstruik:
dörəštroek (L331p Swalmen)
|
doornstruik [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 33167 |
doorschieter |
doorschieter:
dōršētǝr (L331p Swalmen),
doorwasser:
dōrwasǝr (L331p Swalmen)
|
Aardappelstruik waaraan zich door overmatige groei steeds nieuwe scheuten en aardappeltjes vormen. [N 12, 9; monogr.]
I-5
|
| 20848 |
dopen |
dopen:
duipe (L331p Swalmen),
dö.ypə (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
soppen:
soppe (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
doopen [SGV (1914)] || doopen (dopen) [RND] || dopen [RND] || indopen van het brood b.v. in de koffie: soppen [N 08 (1961)]
III-2-3, III-3-3
|
| 33521 |
doperwten |
doperwten:
WLD
dopèrt (L331p Swalmen),
jonge erwten:
jông erte (L331p Swalmen)
|
De jonge erwten die uit de dop gehaald moeten worden; doperwt (poolerwt, dopper, doperwt, pelerwt). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 24753 |
dophei |
dophei:
WLD
dophei (L331p Swalmen),
erica:
erika (L331p Swalmen)
|
Dophei (erica tetralix een 10 tot 50 cm lage plant. De stengels zijn stijf behaard; de bladeren bevinden zich in 4-tallige kransen, ze zijn smal, ongesteeld en niet afvallend; aan de rand zijn de bladeren klierachtig behaard; de bloemen bevinden zich in [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 31538 |
dopsleutel |
dopsleutel:
dǫpšlø̜tǝl (L331p Swalmen)
|
Niet verstelbare, stalen schroefsleutel die boven op de moer of de kop van een bout wordt geplaatst. De dopsleutel heeft aan één uiteinde een vierkant gat waarin allerlei handvatten passen. De andere kant van de dop wordt als sleutel gebruikt. Zie ook afb. 200a-b. [N 33, 300h]
II-11
|