| 25131 |
druipen van de regen |
druppelen:
druppələ (L331p Swalmen),
uitzijpen:
zeep oet (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
zijpen:
his ziep van de (L331p Swalmen),
his ziep van de r (L331p Swalmen)
|
droop hij ~ van den regen [SGV (1914)] || druipen [SGV (1914)] || druipt [hij ~ van den regen] [SGV (1914)] || regen [hij droop van den ~ ] [SGV (1914)] || regen [hij druipt van den ~] [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 33525 |
druiventros |
druiventros:
droeventros (L331p Swalmen)
|
druiventros [SGV (1914)]
I-7
|
| 17941 |
druk heen en weer lopen |
op en af rennen:
op en aaf renne (L331p Swalmen)
|
lopen: bedrijvig heen en weer lopen [rettereere, rondriddere] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 17896 |
drukken |
duwen:
duuje (L331p Swalmen),
dûuje (L331p Swalmen)
|
Drukken: iets aan een wegende of stuwende kracht onderwerpen (drukken, prangelen, priegelen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19274 |
drukte, gedoe |
drukte:
drèùkte (L331p Swalmen),
gedoen:
gedoonə (L331p Swalmen),
omstand:
omsjtenj (L331p Swalmen),
ôomsjtenj (L331p Swalmen)
|
drukte maken, veel moeite doen meestal op luidruchtige wijze [omstand maken, spatsen maken, statie maken] [N 85 (1981)] || een overvloed van bezigheden, drukte [slemeur, trubbel, navegatie, begankenis, omstand, wiet] [N 85 (1981)] || gedoente [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 25133 |
druppel |
druppel:
drèùppel (L331p Swalmen),
dröppel (L331p Swalmen),
eine dröppel (L331p Swalmen),
enne dröppel (L331p Swalmen),
⁄nen dröppel (L331p Swalmen)
|
druppel water [dröp, dröppel] [N 07 (1961)] || een afgescheiden, min of meer bolvormig vochtdeeltje [drup, druppel, droppel, drop] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 32866 |
dubbel gezwad |
dubbel gezwad:
dø̜bǝl [gezwad] (L331p Swalmen),
op en af:
ǫp ęn āf (L331p Swalmen)
|
De dubbele reep gras die ontstaat als men eenmaal heen maait, omdraait, en vlak daarnaast weer eenmaal terug over het veld maait, zodat er twee regels gemaaid gras tegen elkaar aan komen liggen. Zie voor de fonetische documentatie van de woorden tussen vierkante haken het lemma ''gezwad, regel gemaaid gras''. [N 14, 94]
I-3
|
| 33963 |
dubbele lijn |
dubbele lijn:
dø̜bǝl līn (L331p Swalmen)
|
Lijn die aan weerszijden aan het bit bevestigd is en tot aan de hand van de voerman dubbel is. Opgaven die niet specifiek naar een dubbele lijn verwezen (m.n. de woordtypes paardslijn, rijlijn, lijn, lijnt, lei, leis, leist, leidsel en guide), werden opgenomen onder het overkoepelende lemma Teugel. [N 13, 30 en 34]
I-10
|
| 33446 |
dubbele toegangspoort van een gesloten erf |
grote poort:
grōtǝ [poort] (L331p Swalmen)
|
De uit twee helften bestaande poort, die toegang geeft tot een door het woonhuis en de bedrijfsgebouwen omgeven binnenplaats. Zie ook het lemma "schuurpoort" (3.1.2). Zie voor de fonetische documentatie van het woord (poort) het lemma "poort" (4.1.1). Zie ook afbeelding 18 bij het lemma "poort" (4.1.1). [N 5A, 77b; monogr.]
I-6
|
| 21608 |
dubbeltje |
dubbeltje:
döbbeltje (L331p Swalmen)
|
dubbeltje, een ~ [N 21 (1963)]
III-3-1
|