| 18116 |
eelt, eeltknobbel |
zwel:
zjweel (L331p Swalmen),
žweel (L331p Swalmen)
|
eelt, eeltknobbel [SGV (1914)] || eelt, eeltknobbel [zweel, zweil, weer, jelt] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 33803 |
eeltwrat, zweelwrat |
zweelwrat:
žwelvrat (L331p Swalmen)
|
Wratvormige uitwassen (zweel = eelt) binnenwaarts aan de hoofdschenkels van voor- en achterpoten. Ze zijn, net als de vingerafrukken bij de mens, volkomen individueel. Men veronderstelt dat ze overblijfselen van een extra teen of aanhangsel zijn. Zie afbeelding 2.27. [A 4, 2e; L 20, 2e; N 8, 32.1, 32.3, 32.4, 32.13, 32.15 en 32.16]
I-9
|
| 23667 |
een aflaat verdienen |
aflaat verdienen:
ne aaflaot verdene (L331p Swalmen)
|
Een aflaat verdienen/winnen/bekomen/halen/bidden [ne ablas verdeene?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21811 |
een bevel opvolgen |
luisteren:
loestere (L331p Swalmen),
lôestere (L331p Swalmen)
|
een bevel opvolgen [pareren, luisteren, gehoorzamen] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 20505 |
een borrel drinken |
proeven:
preuve (L331p Swalmen),
prövə (L331p Swalmen)
|
jenever drinken; Hoe noemt U: Jenever drinken (proeven, likken) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20941 |
een boterham smeren |
een boterham smeren:
ən bu̞təram šmērə (L331p Swalmen)
|
smeren [RND]
III-2-3
|
| 22484 |
een cadeau geven |
geven:
gééve (L331p Swalmen),
schenken:
sjinke (L331p Swalmen)
|
Kado geven [schenken, besteken]. [N 89 (1982)]
III-3-2
|
| 34490 |
een dag overslaan bij het leggen |
verzijen:
vǝrzii̯ǝ (L331p Swalmen)
|
[N 19, 36]
I-12
|
| 21988 |
een duif bovenaan de deelnemerslijst zetten |
eerste getekende:
eerst geteikend (L331p Swalmen)
|
een duif bovenaan die lijst zetten (om te suggereren dat ze de meeste kans maakt op een goede uitslag)? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 21995 |
een duif op een kortere afstand laten vliegen |
africhten:
aafrichte (L331p Swalmen)
|
een duif op een kortere afstand laten vliegen dan voorheen? [N 93 (1983)]
III-3-2
|