| 17875 |
een pak slaag geven |
rammel geven:
ràmmel (L331p Swalmen),
vegen:
vaege (L331p Swalmen)
|
pak slaag geven (batteren, foeksen, foempen, juinen, kletsen, naaien, peren, rossen, smeren, vegen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21935 |
een pen verliezen |
stoten:
sjtote (L331p Swalmen)
|
Hoe zegt men: af en toe een pluim of pen verliezen? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 17993 |
een pijnscheut veroorzaken |
snijden:
sjnîeje (L331p Swalmen)
|
Sterke kriebeling of trekking door pijn veroorzaken (morren). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21656 |
een prijs vragen |
loven:
waat laof ze derveur (L331p Swalmen)
|
aanbieden, Voor een bepaalde prijs te koop ~ [loven of geloven? zegt men wel: wat looft ge uw kippen = welke prijs vraagt ge ervoor?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 32592 |
een riek mest |
riek (mest):
rēk (L331p Swalmen)
|
Een riek mest is de hoeveelheid mest die men in één keer met de riek kan opnemen. Die hoeveelheid is kleiner naarmate de mest meer verteerd is en daardoor gemakkelijker uiteenvalt. Van de termen die in dit lemma voorkomen, zijn er sommige (ook) van toepassing op een brok of klont mest: een aaneenklevende, weke massa goed verteerde mest. [N M, 12a; JG 1a + 1b + 2c; N 11A, 14; monogr.]
I-1
|
| 23699 |
een rozenhoedje bidden |
rozenkrans beden:
rozekrans baeje (L331p Swalmen)
|
Een Rozenhoedje bidden [de roozekrans bèèje, ziech der roeëzekrans beëne?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 22385 |
een spel kaarten |
kaartspel:
kaartsjpel (L331p Swalmen),
spel:
sjpɛ̄l (L331p Swalmen),
n Nuuj sjpeel kaarte.
sjpeel (L331p Swalmen),
stok:
sjtok (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
2. (Volledig) spel kaarten. || Een spel kaarten [stok, spel, speul]. [N 88 (1982)] || Kaartspel (compleet stel speelkaarten). || Spel (bijv. kaarten).
III-3-2
|
| 32603 |
een stuk grond enten |
enten:
entǝ (L331p Swalmen),
ɛ.ntǝ (L331p Swalmen)
|
Enten is het bestrooien van een akker of een pas ontgonnen stuk (heide)grond met aarde van een akker waarop het te telen gewas al eerder heeft gestaan. De entaarde is van goede kwaliteit. De geënte akker wordt meer geschikt voor het te telen gewas. Meestal gaat het om stikstofbindende planten als lupine (L 270, Q 2), klaver (Q 2), lucerne (Q 187a) en serradella (L 115, 192a), in het algemeen dus vlinderbloemigen (L 163, 248, 266, 294, Q 97). Termen als enten, inenten veronderstellen "een akker", "een stuk land" e.d. als object. [N 11, 25; N 11A, 33]
I-1
|
| 22545 |
een tol op de hand laten draaien |
tirvelen:
tirvele (L331p Swalmen)
|
Een tol op de hand laten draaien [scheppen, deinderen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 33877 |
een veulen werpen |
veulen:
vø̄lǝ (L331p Swalmen)
|
Als de weeën toenemen, gaat de merrie liggen. De geboorte begint, als de vliezen breken en het vruchtwater wegloopt. [JG 1a, 1b; N 8, 52]
I-9
|