| 21098 |
lijnzaadmeel |
lijzensmeel:
lēzǝsmɛ̄l (L331p Swalmen)
|
De gedroogde pulp die overblijft na het slaan van de olie uit het lijnzaad. Het meel wordt als veevoeder gebruikt. Indien in samenstellingen met lijnzaad- dit woorddeel onverkort is gebleven en gelijk aan de opgave voor lijnzaad in dat lemma, dan is hier naar de variant van het lemma Lijnzaad, Vlaszaad verwezen. Voor de typen lijzend en lijzens naast lijzaad zie de toelichting bij het lemma Lijnzaad, Vlaszaad. [monogr.; add. uit L 1 a-m; L 1 u, 149; L 42, 59; RND 31]
I-5
|
| 21987 |
lijst met deelnemende duiven |
poulebrief:
poelbreef (L331p Swalmen)
|
de lijst waarop elke liefhebber zijn deelnemende duiven laat inschrijven? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 20492 |
likken |
lekken:
lèkkə (L331p Swalmen),
oplekken:
oplekke (L331p Swalmen)
|
likken; Hoe noemt U: Met de tong over iets heen en weer gaan om zo het voedsel op te nemen (likken, lekken, leppen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20725 |
limburgse kaas |
stinkkaas:
sjtinkkees (L331p Swalmen)
|
Limburgse kaas, Hervese kaas (stinkkaas, rommedoe?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33676 |
limburgse klei |
leem:
lęi̯m (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Vraag N 27, 42 vroeg naar benamingen voor löss of ø̄Limburgse kleiø̄ en vraag N 27, 45 naar die voor de ø̄bruine, taaie, Limburgse klei, vooral langs hellingenø̄. Op grond van de antwoorden zijn deze vragen tot √©√©n lemma versmolten. Van Dale (elfde druk, blz. 1610) definieert löss als volgt: ø̄vruchtbare, weinig plastische leemsoort, licht vuilgeel of roodgeel van kleur, in Nederland ook wel Limburgse klei genoemdø̄. [N 27, 42; N 27, 45; N 27, 33]
I-8
|
| 20904 |
limonade |
limonade:
limonaat (L331p Swalmen)
|
limonade door een rietje zuigen [DC 35 (1963)]
III-2-3
|
| 24821 |
lindeblad |
lindeblad:
linjeblaad (L331p Swalmen)
|
lindeblad [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 21478 |
liniaal |
lijnlat:
lielat (L331p Swalmen),
lienlat (L331p Swalmen),
liniaal:
lienejaal (L331p Swalmen)
|
een dunne rechte lat met een maatverdeling om er lijnen langs te trekken [liniaal, linie, regel, regelet] [N 90 (1982)] || liniaal [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 33765 |
linkerkant van het paard |
bij de hand:
bī dǝ hantj (L331p Swalmen)
|
Kant waar de voerman het paard leidt. [N 8, 9 en 10]
I-9
|
| 28772 |
linnen, linnengoed |
lijnen:
linǝ (L331p Swalmen)
|
Weefsel uit vlas- of hennepgaren vervaardigd. Lijnwaad. [N 62, 77; N 59, 201; N 62, 75f; L 1a-m; L 30, 30a; L 30, 30b; L B1, 95; MW; Wi 18 en 55; S 22; monogr.]
II-7
|