| 17721 |
loeren |
lonken:
lónke (L331p Swalmen)
|
kijken: loeren [lonke, luime] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 23311 |
lof |
lof:
lof (L331p Swalmen),
ət loͅf (L331p Swalmen),
vesper (lat.):
vesper (L331p Swalmen)
|
het lof [RND] || Het lof, de kerkdienst met uitstelling van het Allerheiligste, gehouden op zondagmiddag, soms op zaterdagavond [lof, laof, zeëje?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33813 |
lomp paard |
kluppel:
klø̜pǝl (L331p Swalmen)
|
[JG 1a; N 8, 62h]
I-9
|
| 17688 |
long |
long:
long (L331p Swalmen),
longe (L331p Swalmen),
lóng (L331p Swalmen)
|
long [SGV (1914)] || long, longen [loos, leus] [N 10a (1961)] || longen [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 34264 |
longen |
longen:
loŋǝ (L331p Swalmen)
|
De longen of de long van het grootvee in het algemeen. [N 28, 88b]
I-11
|
| 25289 |
lood, maat van 10 gram |
lood:
lood (L331p Swalmen),
loot (L331p Swalmen)
|
de maat die een gewicht aangeeft van 10 gram [lood] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 31516 |
loodpan, gietlepel |
gietlepel:
gētlē̜pǝl (L331p Swalmen),
gietpan:
gētpan (L331p Swalmen)
|
Soort pan of grote scheplepel met schenklip waarin soldeersel of lood gesmolten kan worden. Zie ook afb. 190a. De gietlepel is doorgaans een kleinere uitvoering van de loodpan. Hij wordt gebruikt om lood of soldeersel af te scheppen en te gieten. Vgl. afb. 190b-c. [N 33, 197; N 33, 310-311; N 64, 18a-b]
II-11
|
| 33679 |
loodzand |
heizand:
hęi̯zanjtj (L331p Swalmen),
loodzand:
lōtzanjtj (L331p Swalmen)
|
De loodgrijze zandlaag onder de heizode. [N 27, 17]
I-8
|
| 24846 |
loof |
blader:
blaajer (L331p Swalmen),
loof:
loouf (L331p Swalmen),
lōūf (L331p Swalmen),
WLD
laof (L331p Swalmen)
|
bladeren [SGV (1914)] || De bladeren van een boom samen (loof, lover). [N 82 (1981)] || loof [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 33250 |
loof van de bieten afplukken |
bladen:
blāi̯ǝ (L331p Swalmen)
|
Als de bieten uit de grond getrokken zijn, worden ze op rijen gelegd en worden de bladeren van de knollen afgesneden of afgeplukt. Bij mechanisch rooien gebeurt het wel dat het loof wordt afgesneden als de bieten nog in de grond staan. [N 12, 48; monogr.]
I-5
|