| 30797 |
looi |
looi:
lōj (L331p Swalmen)
|
Looistof. Fijngemalen eikebast of run waarmee men leer bewerkt. [S; L 1a-m]
II-10
|
| 30795 |
looien |
looien:
lø̄jǝ (L331p Swalmen)
|
Het bereiden van leer. Dierehuiden die bepaalde voorbereidingen hebben ondergaan worden met bepaalde samentrekkende stoffen zo behandeld dat zij tot leer worden. [S; L 1a-m; monogr.]
II-10
|
| 21686 |
loon |
paye, paie (fr.):
Van Dale: paye, paie, 1. (uit)betaling; - 2. loon, salaris.
pej (L331p Swalmen)
|
loon, wat men verdient [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 25605 |
loonbak |
huismik:
hūsmek (L331p Swalmen)
|
Deeg van brood en gebak dat aan huis is klaargemaakt en dat naar de bakker wordt gebracht om er brood of gebak van te laten bakken tegen een vergoeding. [N 29, 98; monogr.]
II-1
|
| 20132 |
loops |
loops:
luips (L331p Swalmen),
løͅi̯ps (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
konijn, geslachtsdrift vertonend [N 19 (1963)] || loops, geslachtsdriftig ve teef [N 19 (1963)], [N C (1962)]
III-2-1
|
| 24724 |
loot uit slapend oog |
rondknop:
rôndjknoep (L331p Swalmen),
uitschieter:
WLD
oetsjééter (L331p Swalmen)
|
Een loot ontstaan uit een slapend oog (knop die onder normale omstandigheden niet tot ontwikkeling komt) (sprant). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 24678 |
loot, nieuw uitgelopen twijgje |
scheut:
sjéut (L331p Swalmen),
WLD
sjèùt (L331p Swalmen),
scheutje:
schöötjə (L331p Swalmen)
|
Een nieuw uitgelopen twijgje (spraon, scheut, schot, lot). [N 82 (1981)] || loot [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 17817 |
lopen |
lopen:
laupe (L331p Swalmen),
looupə (L331p Swalmen)
|
lopen [SGV (1914)] || lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 34545 |
lopen, gezegd van eenden |
waggelen:
waqǝlǝ (L331p Swalmen)
|
[N 70, 2; monogr.]
I-12
|
| 22044 |
lopend snot |
snot:
sjnôt (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt U in Uw dialect de volgende ziekten: besmetting van ademhalingswegen met afscheiding van etter en snot uit bek, neus en ogen (lopend snot)? [N 93 (1983)]
III-3-2
|