| 19500 |
loper |
draaiende steen:
drɛjǝndǝ štęj.n (L331p Swalmen),
draaisteen:
dręjštęjn (L331p Swalmen)
|
De bovenste, draaiende molensteen. De loper had in Q 99 drie soorten kerven, de ligger daarentegen maar één. Zie ook het lemma ɛscherpselɛ.' [N O, 17c; A 42A, 31; N D, 7; Sche 47; Vds 85; Jan 121; Coe 98; Grof 117; monogr.]
II-3
|
| 24674 |
lork |
lork:
lerk (L331p Swalmen),
lork (L331p Swalmen),
WLD
lèrk (L331p Swalmen)
|
De lariks (die s winters zijn naalden verliest) (lariks, lork, laris, lurk). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 34008 |
losgetuigd leiden |
leiden:
lęi̯ǝ (L331p Swalmen)
|
Een paard zonder zadel en niet tussen berries leiden met de teugel. [N 8, 101c]
I-10
|
| 22109 |
losplaats |
lossingsplaats:
lossingsplaats (L331p Swalmen)
|
de plaats waar de duiven gelost worden (losplaats, lossingsplaats of dergelijke, dus niet de naam van een stad invullen)? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 18697 |
losse linnen halsboord |
boordje:
börtje (L331p Swalmen)
|
halsboord, losse linnen ~ [beurdje, hemdsband] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18699 |
losse manchet |
tuit:
[sic; suggestie bij vraagstelling]
toete (L331p Swalmen)
|
manchet, los [hemdsband, toet] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33729 |
losse paal met draad |
poort:
port (L331p Swalmen),
varen:
vā.rǝ (L331p Swalmen)
|
Losse paal met draad waarmee men de wei kan afsluiten. [N 14, 68c; N 7, 48b; L B 19, 6; A 25, 8]
I-8
|
| 21218 |
losse plankbrug |
vlonder:
vlóónjer (L331p Swalmen),
vonder:
vonjər (L331p Swalmen),
vônjer (L331p Swalmen)
|
een brug die bestaat uit losse planken (vlonder, vonder, til, tilling, kwaak, vondel) [N 90 (1982)] || vlonder (vonder) [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 33395 |
losse voerbak in de varkenswei |
trog:
[trog] (L331p Swalmen)
|
Gewoonlijk worden de varkens binnen gevoerd. Soms echter gebruikte men een losse voerbak voor buiten, in de varkenswei; over deze laatste bak gaat het in dit lemma. Zie voor de fonetische documentatie van (trog) het lemma "varkenstrog" (2.4.3). [N 5A, 61b]
I-6
|
| 33365 |
losse voerbak voor runderen |
kalvertrog:
kāvǝrtrǭx (L331p Swalmen),
trog:
trǫa.x (L331p Swalmen),
voerkuip:
vōrkȳp (L331p Swalmen)
|
Een losse bak of kuip waarin men het voer aan de koeien voorzet. Bedoeld wordt een bak waar meer dan één rund uit eet (en soms ook drinkt). Waar deze draagbare en ouderwetse bak niet (meer) bekend is, werden benamingen voor de vaste voerbak opgegeven (krib, trog en hun samenstellingen). Oorspronkelijk diende de krib voor het droge voedsel voor runderen en paarden en de trog voor het natte voedsel voor de varkens, maar in de praktijk lopen de termen dooreen. Sommige opgaven betreffen mogelijk ook het vak voor één koe van de in vakken verdeelde voerbak. Vergelijk de lemmata "voer- en drinkgoot" (2.2.14) en "vaste voer- en drink- en voerbak, krib" (2.2.15). [N 5A, 37c; N 18, 130; monogr.]
I-6
|