| 24350 |
marter |
marter:
martər (L331p Swalmen),
WLD
mèrter (L331p Swalmen),
vuurs:
vūūrs (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
WLD
vûûrs (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u een soort marter, tot 48cm lang, met een staart tot 26cm. Het is een slank roofdier met donkerbruine pels en witte borstvlek die tot de binnenzijde van de voorpoten doorloopt (fluwijn) [N 83 (1981)] || Hoe noemt u het slanke roofdiertje, geelbruin tot donkerbruin, met lange dekharen. De kop is spits met grote oorschelpen, het lichaam is lang en lenig. Het heeft een lange staart en korte poten; marter (fluwijn) [N 83 (1981)] || marter [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 22440 |
masker |
maske:
maske (L331p Swalmen),
mombakkes:
mómbakkes (L331p Swalmen),
mommegezicht:
mommegezich (L331p Swalmen),
momməgezich (L331p Swalmen),
mōməgəzex (L331p Swalmen),
mómmegezich (L331p Swalmen)
|
Een min of meer naar de vorm van het gezicht gemaakte bedekking die dient om dit onherkenbaar te maken of er een bepaalde gedaante aan te geven [mombakkes, mommegezicht, bambakkes, masker]. [N 88 (1982)] || masker [SGV (1914)] || Masker.
III-3-2
|
| 20469 |
masturberen |
(-) aftrekken:
zich aaftrekke (L331p Swalmen),
op de handen wassen:
Schertsend.
oppe henj wasse (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
zich aftrekken:
zich aaftrekke (L331p Swalmen)
|
onanie plegen, zichzelf bevlekken [zn eige aftrekke, afspelen] [N 10C (1995)], [N 10C (zj)]
III-2-2
|
| 33044 |
mathaak |
pik:
pek (L331p Swalmen)
|
Doorgaans licht gebogen ijzeren tand aan een houten steel, die bij het maaien met de zicht gebruikt wordt om het graan bij het eigenlijke inkappen op te tillen en om het afgeslagen graan bij elkaar te trekken. In de volgende plaatsen geen specifieke benaming bekend: L 316, 317, 355, 356, 358, 363, 365, 366, 368, 413. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). Vergelijk ook de betekeniskaart 30 bij het lemma ''zicht'' (4.3.1) voor de geografische uitbreiding van pik in de betekenis "zicht" naast die van pik in de betekenis "mathaak". Zie afbeelding 5. [N 18, 72 en 73; JG 1a, 1b, 2c; A 14, 10; L 45, 10; R 3, 66; Gwn 7, 5; monogr.; add. uit N 11, 88; N 15, 16c en 16g; A 4, 28; A 23, 16.2; L 20, 28; Lu 1, 16.2]
I-4
|
| 24208 |
matkopmees |
bijenvreter:
bieëvrèter (L331p Swalmen),
mutskop:
is de rietvink?; cf etym. aant.
moetsjkop (L331p Swalmen)
|
matkopmees || matkopmees (11,5 kleur als zwarte mees [053], maar zonder nekplek; broedt alleen in vermolmd hout, liefst in vochtig bos; roep [ti-ti-ti-pè-pè-pè], in voorjaar [tjuu-tjuu-tjuu] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 19393 |
matras |
strozak:
sjtreuzak (L331p Swalmen)
|
Het algemene woord voor een met stro, paardehaar, kapok, veren enz. stijf gevulde beddezak die dient als onderbed (matras, bed) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 18414 |
matrozenpakje |
matrozenpakje:
metrozepekske (L331p Swalmen)
|
matrozenpakje (soort jongenskostuum) [N 26 (1964)]
III-1-3
|
| 22491 |
matsen |
meespelen:
metsjpēlə (L331p Swalmen)
|
In het voordeel van een ander spelen, met een andere speler samenspelen [materen, opeenspelen, opspannen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 20909 |
mayonaise |
mayonaise:
màjjənéés (L331p Swalmen)
|
mayonaise [RND]
III-2-3
|
| 18129 |
mazelen |
mazelen:
maazələ (L331p Swalmen)
|
mazelen [SGV (1914)]
III-1-2
|