| 21288 |
melkboer |
melkboer:
mɛləgbu:r (L331p Swalmen)
|
melkboer [RND]
III-3-1
|
| 24808 |
melkdistel |
melkdistel:
meelkdistel (L331p Swalmen),
WLD
méélk-distel (L331p Swalmen),
tuindistel:
toendistel (L331p Swalmen),
tōēndistel (L331p Swalmen)
|
Melkdistel (sochus oleraceus 20 tot 100 cm groot. De bladeren zijn meestal ingesneden en de stengel omvattend, zacht stekelig getand, dofgroen van kleur. De bloemhoofdjes zijn klein, de bloemen zijn lichtgeel. Bloeitijd van juni tot oktober (zijdistel, [N 92 (1982)] || Melkdistel (Sochus oleraceus) [N 92 (1982)]
I-7, III-4-3
|
| 33778 |
melkgebit |
veulentand(en):
vø̄lǝtɛŋ (L331p Swalmen)
|
Tot twee en een half à drie jaar hebben de paarden een melkgebit of veulenstanden. De twee middelste snijtanden komen door in de eerste levensweek van het veulen (soms zijn ze bij de geboorte al aanwezig), binnen een maand of zes weken gevolgd door de snijtanden ernaast. De twee laatste snijtanden volgen tussen de zes en negen maanden, waarna het melkgebit compleet is. De veulenstanden zijn wit van kleur in tegenstelling tot het wat gelige vast gebit en lopen naar de basis toe in een punt uit. [JG 1a, 1b; N 8, 18a]
I-9
|
| 34079 |
melkgebit van kalveren |
melktanden:
mɛlktɛnj (L331p Swalmen)
|
[N 3A, 108a]
I-11
|
| 34346 |
melkgift van de zeug |
zok:
zǭ.k (L331p Swalmen),
zǭk (L331p Swalmen)
|
[N 19, 20]
I-12
|
| 19514 |
melkkannetje |
melkpotje:
melkpötje (L331p Swalmen)
|
melkkannetje waaruit men aan tafel melk schenkt [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 34568 |
melkkar |
melkkar:
męlǝkkɛr (L331p Swalmen)
|
Kar om melkbussen van meerdere boeren van en naar de fabriek te brengen. Het was meestal een lange kar met een groot bodemoppervlak en lage zij-, voor- en achterplanken. [N 17, 15; N G 51; monogr.]
I-13
|
| 34129 |
melkkoe |
melkkoe:
mɛlku (L331p Swalmen)
|
Koe die geschikt is voor melkproductie. [N 3A, 148]
I-11
|
| 34096 |
melkkuil |
melkkraan:
(mv)
mɛlkkrānǝ (L331p Swalmen)
|
Opening waardoor melkaders uit het lichaam van de koe komen. [N 3A, 118b]
I-11
|
| 34098 |
melkspiegel |
spiegel:
špēgǝl (L331p Swalmen)
|
Plaats achter de uier waar de haren in de verkeerde richting liggen. [N 3A, 118d]
I-11
|