| 32585 |
mestkar |
mestkar:
[mest]kɛr (L331p Swalmen)
|
De kar waarmee men stalmest naar het land vervoerde. Als deze kar niet uitsluitend voor het vervoer van mest bestemd was, werd ze na het mestuitrijden gereinigd. Als mestkar gebruikte men meestal de korte kar (L 115 vroeger, 159a, 163, 192a vroeger, 192b, 209, 216, 246 vroeger, 248, 265, 265b, 266, 288, 289, 290, 292, 320a, 324, 331, 331b, 369, 422), de slagkar (L 115 later, 192a later, 246 later, 247, 248, 265b, 270, 292, 294, 318b, Q 27, 191, 204a) en de aardkar (L 289, 314, 360, 364, 366, 367). Voor deze kartypen zij verwezen naar de aflevering betreffende de (oude) landbouwvoertuigen e.a.. Termen als mestwagen wijzen op een moderner vervoermiddel, dat - ook al is het tweewielig - wagen wordt genoemd, omdat het met luchtbanden is uitgerust. [N 11A, 7; N 17, 2a + 3a + 8 add. + 15b; A 42, 8a + b; monogr.]
I-1
|
| 24335 |
mestkever |
mestkever:
meskèver (L331p Swalmen),
mêskaever (L331p Swalmen),
WLD
mèès-kééver (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u de mestkever: een soort kever, groot blauwachtig glanzend, die in mest of van mest leeft (stronthommel, pekbeest, strontbeest, strontmulder) [N 83 (1981)] || mestkever [Roukens 03 (1937)]
III-4-2
|
| 32839 |
mestplakken verspreiden |
flaters uitereenstrijken:
flātǝrs˱ūtręi̯nštrīkǝ (L331p Swalmen)
|
De koemestplakken in de wei met een riek of schop uit elkaar slaan, om te voorkomen dat er zich op die plekken schitbossen vormen. [NM, 8b; N 11A, 40b; div.; monogr.]
I-2
|
| 33408 |
mestplank onder de zitstokken |
mestplank:
męs(t)plaŋk (L331p Swalmen),
męsplaŋk (L331p Swalmen)
|
De plank onder de zitplaats van de kippen die dient om de mest op te vangen. In L 245, P 51,174, 222, Q 9, 77, 88, 93 en 118 kende men een dergelijke voorziening niet; daar vielen de uitwerpselen gewoon op de vloer. [N 5A, 63b; A 48, 16g]
I-6
|
| 32581 |
mestspade, mestmes |
mestschup:
[mest]šø̜p (L331p Swalmen),
meststeker:
[mest]štē̜kǝr (L331p Swalmen)
|
Het voorwerp waarmee men het in het vorige lemma bedoelde werk verrichtte. Dit gereedschap werd ook wel gebruikt voor het afsteken van ingekuild veevoeder of geperst hooi. Van de onderstaande termen zijn er vele niet specifiek voor de meststeker: zij noemen een bepaald soort gerei dat ook voor ander werk te gebruiken is. Voor de varianten van mest zij verwezen naar het lemma (stal)mest. [N 18, 15 + 21d; N 5A, 50b; N 11A, 12; monogr.]
I-1
|
| 33622 |
mestvaalt |
mesthoop:
mishooup (L331p Swalmen),
zeikpoel:
zeikpool (L331p Swalmen)
|
[SGV (1914)]
I-7
|
| 25625 |
met afgebarsten korst, gezegd van brood |
gereten:
gǝrētǝ (L331p Swalmen)
|
De oorspronkelijke vraagstelling in N 29, 70 luidde: "Hoe noemt u brood dat tussen korst en kruin is afgebarsten?" Het feit dat ''kruin kruim'' had moeten zijn, heeft de beantwoording niet noemenswaardig be√Ønvloed. Het lemma valt uiteen in verschilllende grammaticale categorieën.' [N 29, 70; N 29, 69a; monogr.]
II-1
|
| 32602 |
met compost bestrooien |
bamdmest/beemdmest varen:
[bamdmest, beemdmest] vā.rǝ (L331p Swalmen),
kort mest varen:
[kort mest] ˱vā.rǝ (L331p Swalmen)
|
Weiland bemesten met compost. Omdat er gras- en onkruidzaden in kunnen zitten, wordt mengmest gewoonlijk niet op akkerland aangewend. [N 11, 22 + 25 add.; N 11A, 38; monogr.]
I-1
|
| 33878 |
met de benen zwaaien en bewegen tijdens het werpen |
(de merrie krijgt) pozen:
pōzǝ (L331p Swalmen
[(barensweeën)]
)
|
[N 8, 53]
I-9
|
| 23632 |
met de collecteschaal rondgaan |
met de telder rondgaan:
mit de tejjer rondjgaon (L331p Swalmen)
|
Collecteren met de open schaal, met de schaal rondgaan. [N 96B (1989)]
III-3-3
|