| 25101 |
met tussenpozen regenen |
bijzen:
bieͅze (L331p Swalmen),
bīēze (L331p Swalmen),
het zijn bijzen:
⁄t zin biëze (L331p Swalmen),
moderen:
mooddərə (L331p Swalmen)
|
af en toe regenen [veuren] [N 81 (1980)] || regenen bij tussenpozen [buien, sjoelen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 32803 |
met vollen eggen |
met een vol [eggen]:
met˱ ǝn vǫl (L331p Swalmen),
met vollen [eggen]:
met ˲volǝ (L331p Swalmen)
|
Manier van eggen waarbij men na het keren de volgende egbaan niet meteen bij de vorige laat aansluiten. Men laat tussen de baan die op de heenweg geëgd werd, en de baan die men op de terugweg trekt, telkens een strook ongeëgd liggen. Die strook kan in breedte variëren. Op de volgende heenweg wordt die strook of een deel daarvan "vol" geëgd. Op de volgende terugweg laat men dan weer een strook onbewerkt. Men kan telkens één "vol" laten liggen, maar ook twee of meer; zie de afb. 74, 75 en 76. Er wordt a.h.w. in spiraalachtige ronden geëgd. Dit doet men vooral om op de einden van de akker ruimer en sneller te kunnen draaien. Het paard hoeft dan minder stappen te zetten en de eg hoeft daarbij niet omgelegd of omgetrokken te worden. Voor het werkwoordelijk deel van de meeste termen en de weglating daarvan bij de varianten zie men de toelichting op het lemma ''eggen''.' [JG 1a + 1b + 1c + 2c; N 11, 83; N 11A, 176b; monogr.]
I-2
|
| 33047 |
metalen deel van de mathaak |
haak:
hǭk (L331p Swalmen),
pik:
pek (L331p Swalmen)
|
De licht gebogen ijzeren tand van de mathaak. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). [N 18, 72b; monogr.; add. uit JG 1b]
I-4
|
| 34369 |
metalen scheplepel |
voerschotel:
vōršotǝl (L331p Swalmen)
|
Lepel van metaal om varkensvoer mee op te scheppen. [N 18, 132; monogr.]
I-12
|
| 32892 |
metalen tongetjes |
memmen:
męmǝ(n) (L331p Swalmen)
|
De onregelmatigheden aan de snijkant van de zeis, uitstulpingen in de vorm van metalen tongetjes of lipjes, die kunnen ontstaan bij ondeskundig haren. Het lemma bevat meervouden en enkelvouden. [N 18, 90; monogr.]
I-3
|
| 18379 |
metalen uiteinde van een schoenveter |
nippel:
WNT: nippel, wellicht uit eng. nipple, eigenlijk tepel, maar ook wel gebruikt als naam van buisvormige voorwerpen, min of meer op een tepel gelijkende (zie NED). Van Dale: nippel.
nippel (L331p Swalmen)
|
metalen uiteinde van een schoenveter [malie] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 29920 |
metselaar |
metselaar:
mɛ ̝tsǝlē̜r (L331p Swalmen)
|
Ambachtsman die metselwerk verricht. Zie ook de toelichting bij de lemmata 'metselen' en 'handlanger'. [Wi 2; S 23; L 1a-m; L 17, 30; L B1, 103; RND 46; N 30, 1a; N 95, 159; monogr.; Vld]
II-9
|
| 29921 |
metselen |
metselen:
mɛtsǝlǝ (L331p Swalmen)
|
Bij de bouw van stenen huizen met behulp van mortel de afzonderlijke stenen tot een samenhangend, vast geheel verbinden. [Wi 57; S 23; L 1a-m; L 31, 21; N 30, 1b; monogr.]
II-9
|
| 29996 |
metselzand |
scherpe zand:
šɛrǝpǝ zantj (L331p Swalmen)
|
Het zand dat bij de bereiding van mortel aan het bindmiddel, bijvoorbeeld kalk of cement, wordt toegevoegd. Doorgaans wordt gebruik gemaakt van rivierzand omdat dit scherp, schoon en ongelijk van korrelgrootte is. In Q 4 werd het zand doorgaans genoemd naar de plaats van herkomst. Ook de woordtypen 'brunssummmer zand' (Q 203), 'helchterse zand' (P 51), 'helchterse' (K 359) en 'lommelzand' (K 353, K 359, P 56) verwijzen naar plaatsen waar zand wordt of werd afgegraven. Zie voor het woordtype 'chape-zand' (L 364) het lemma 'Vloermortel'. [N 30, 36a; N 30, 36b; N 27, 47; L 42, 57; monogr.]
II-9
|
| 20513 |
metworst |
braadworst:
braodwórs (L331p Swalmen),
droogworst:
dreugwors (L331p Swalmen)
|
metworst; Hoe noemt U: Worst met gehakt (varkens)vlees (metworst, snijworst, saucisse) [N 80 (1980)]
III-2-3
|