| 31856 |
spookschaaf |
bastringue:
bastręŋ (L331p Swalmen)
|
Klein, langwerpig schaafje, vroeger van hout, nu van ijzer, met twee handvatten en een schaafbeitel die door middel van twee schroeven in de gewenste stand wordt gebracht. De spookschaaf dient om hol- en bolvormige stukken glad te schaven. Zie ook afb. 49. De spookschaaf wordt door verschillende houtbewerkende beroepen gebruikt. De kuiper schaaft er bijvoorbeeld de buitenwand van vaten mee glad, terwijl de wagenmaker er wielspaken en andere gebogen oppervlakken mee bijwerkt. [N 53, 77; N E, 45a; N G, 38b; A 32, 3a-b; monogr.]
II-12
|
| 21160 |
spoorweg |
spoor:
sjpaor (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
een weg met rails waarover men wagens die mechanisch voortbewogen worden, laat lopen voor het vervoer van personen en goederen [spoorweg, route, ijzerenweg] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 26672 |
spoorwiel van de rosmolen |
kamrad:
kamprāt (L331p Swalmen)
|
Het kamrad aan de grote staande as van de rosmolen. Het spoorwiel drijft het rondsel aan dat op het staakijzer van de stenen is gemonteerd. [N D, 26]
II-3
|
| 34483 |
sporen van de haan |
haandersporen:
hāndǝršpø̜̄r (L331p Swalmen),
hanensporen:
hānǝspø̜̄r (L331p Swalmen)
|
Doornachtige hoornuitwas van de poten van de haan. [N 6, 3; L 7, 27b; monogr.]
I-12
|
| 20449 |
spotnaam voor hoge hoed |
stovenpijp:
sjtoovepiep (L331p Swalmen)
|
hoed, hoge ~: spotbemaningen [tarpot, titsj, hekteliter, böömert, handskow, kachelpiep, sjtief] [N 25 (1964)]
III-2-2
|
| 19359 |
spotten |
spotten:
schpottə (L331p Swalmen),
sjpòtte (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
de spot drijven met [spotten, spreeuwen, truten, zwanzen] [N 85 (1981)] || spotten [SGV (1914)] || zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts [grappen] uiten [spreeuwen, spotten, truten, zwanzen, lollen, leuren] [N 85 (1981)]
III-1-4, III-3-1
|
| 24248 |
spotvogel |
spotvogel:
sjpotvogel (L331p Swalmen)
|
spotvogel (13,5 licht gekleurd, oranje binnensnavel; vaak in boomgaarden en grote tuinen, niet in bossen; nestje lijkt op dat van een vink [003]; roep hard [tetteruuïe]; drukke zang [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 24249 |
spreeuw |
spraan:
schproan (L331p Swalmen),
sjprao.n (L331p Swalmen),
sjpraon (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
spraon (L331p Swalmen)
|
spreeuw [SGV (1914)] || spreeuw (21,5 overal talrijke bekende soort; wel eens verward met merel [018]; in voorjaar paars glanzend-zwart en gele bek; rest van het jaar witgespikkeld bruin; altijd druk en in troepen; broedt in allerlei gaten; overal voorkomend [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 21352 |
spreken, praten |
kallen:
kalle (L331p Swalmen),
kallə (L331p Swalmen),
praten:
proatə (L331p Swalmen),
spreken:
schprêkə (L331p Swalmen)
|
praten [SGV (1914)] || spreken [SGV (1914)] || spreken; ik versta jullie niet, jullie moeten een beetje harder - [DC 03 (1934)]
III-3-1
|
| 24994 |
sprenkelen |
druppelen:
drééupele (L331p Swalmen),
sprinkelen:
sjprinkele (L331p Swalmen)
|
druppelsgewijze uitstrooien, uitgieten [spuiten, sprenkelen, sprengen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|