| 24250 |
staartmees |
staartmees:
sjtertmees (L331p Swalmen),
sjtertmei.s (L331p Swalmen),
sjtèrtmeis (L331p Swalmen)
|
staartmees || staartmees (14 klein bolletje met heel lang staartje; maakt bolnest van veertjes en mos [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 22008 |
staartprijs |
laatste prijs:
leste prīēs (L331p Swalmen)
|
een duif die bij de laatste winnaars geklasseerd is? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 22115 |
staartwind |
staartwind:
sjterwindj (L331p Swalmen)
|
Hoe zegt men: de duiven vliegen met de wind mee? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 21272 |
stad |
stad:
schtad (L331p Swalmen),
štat (L331p Swalmen)
|
stad [RND], [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 21749 |
stadsomroeper |
omroeper:
ômreuper (L331p Swalmen)
|
de persoon die in een stad of dorp gemeentelijke berichtgeving mondeling bekend maakt [stadsomroeper, belleman] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 23591 |
staf van de suisse |
staf:
sjtaaf (L331p Swalmen)
|
De staf of hellebaard van de suisse [sjtaaf?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 28377 |
stal |
stal:
šta.l (L331p Swalmen)
|
Een ruimte in het algemeen, die onderdak biedt aan vee. De benamingen kunnen zowel het gebouw, als de ruimte daarbinnen betreffen. Meestal wordt kortheidshalve van "de stal" gesproken, als men het veeverblijf en met name de koestal bedoelt. [JG 1a en 1b; Wi 11; S 50; L A1, 4; RND 97; monogr.; add. uit N 5A, passim]
I-6
|
| 33928 |
stalband |
halsband:
hals˱banjtj (L331p Swalmen),
stalband:
štalbanjtj (L331p Swalmen),
stalketting:
štalkɛteŋ (L331p Swalmen)
|
Leren band om de hals van het paard, waaraan de lijn of teugel wordt vastgemaakt om het op stal vast te binden. Vergelijk ook lemma Halster. [JG 1a; N 8, 91; N 13, 18b]
I-10
|
| 24792 |
stalkaars |
kaarsenbloem:
WLD
kéérsebloom (L331p Swalmen),
toorts:
toorts (L331p Swalmen)
|
Stalkaars (verbascum thapsiforme 30 tot 180 cm grote plant. De bladeren zijn langwerpig, langs de stengel aflopend, witviltig; de plant heeft grote, uitgespreide bloemen; de bloem heeft 2 lange en kale meeldraden en 3 korte, wollig behaarde meeldraden, [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 34203 |
stalklauwen |
stalhoeven:
štalhōvǝ (L331p Swalmen),
stalpoten:
štalpø̄t (L331p Swalmen)
|
Als de koeien in de winter op stal staan, hebben ze weinig of geen beweging. Daardoor slijten de klauwen minder af. Ze kunnen aangroeien. Hierdoor ontstaan de "stalklauwen" met snavelvormig omgebogen toongedeelten. Deze hebben een zeer ongunstige invloed op de beenstanden en veroorzaken onnodige vermoeidheid. Zie ook het lemma ''stalklauwen'' in wbd I.3, blz. 482. [N 52, 9; A 48A, 13]
I-11
|