| 33971 |
strengbeugels |
beugels:
beugels (L331p Swalmen)
|
Beugels die de strengen met het haam of het borsttuig verbinden. Als deze verbinding uit haken bestaat, spreekt men van strenghaken (zie lemma Strenghaken). Een aantal informanten maakt in de benaming voor dit verbindingsstuk echter geen onderscheid tussen haken en beugels. De benamingen die voor haken én beugels in het algemeen zijn opgegeven, werden hier voorop geplaatst. [N 13, 59a]
I-10
|
| 29140 |
strengen |
karklingen:
karklingen (L331p Swalmen),
klingen:
kleŋǝ (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
strengen:
strengen (L331p Swalmen),
štręŋǝ (L331p Swalmen),
zelen:
(enk)
zęi̯l (L331p Swalmen)
|
Aanvulling van het lemma strengen in wld I.10: kettingen of touwen waarmee een paard de kar of wagen trekt. [N 17, 26; N 5A II, 59c; monogr.] || Kettingen of touwen waarmee een paard de kar of wagen trekt. Het ene uiteinde ervan zit aan de trekhaken van het haam of van het borsttuig vast, het andere aan de voorste schei of aan een haak in de berrie van de kar of wagen. De benamingen voor strengen die uit touw vervaardigd zijn, werden achteraan geplaatst. Bij het woordtype strengen is niet altijd mogelijk uit te maken of de opgegeven dialectvariant enkelvoud of meervoud is. Het lemma Veldstrengen, dat zijn strengen waarmee een paard een akkerwerktuig voorttrekt, is al eerder behandeld in WLD I, afl. 2, p. 178. [JG 1a, 1b, 2a, 2b, 2c; N 13, 57, 58a en 58b]
I-10, I-13
|
| 33972 |
strenghaken |
beugels:
(enk)
bø̄gǝl (L331p Swalmen),
strengogen:
štręŋǫu̯gǝ (L331p Swalmen)
|
Haken die de strengen met het haam of het borsttuig verbinden. Zie ook opmerking onder het lemma Strengbeugels. [N 13, 59b]
I-10
|
| 34591 |
strenghaken aan de berries |
noodhaak (enkelv.):
nōthǭk (L331p Swalmen)
|
De twee haken aan de voorkant van de kar waarmee de kettingen van het achterhaam aan de berries bevestigd werden. Deze kettingen dienden om het paard de kar achteruit te laten duwen. Vergelijk het lemma strenghaken (haken die de strengen met het haam of het borsttuig verbinden) in wld I.10. [N 17, 40 + 99; JG 1a; monogr]
I-13
|
| 25599 |
strepen maken op het deegbrood |
bloemen maken:
blōmǝ mākǝ (L331p Swalmen)
|
Met een mes of iets dergelijks strepen trekken op het deegbrood. Zie afb. 21. [N 29, 43; monogr.]
II-1
|
| 32649 |
strijkbord, riester |
riester:
rēstǝr (L331p Swalmen)
|
Het strijkbord, riester of rooster is het op de ploegschaar volgend ijzeren (vroeger houten) blad, dat de grond die door kouter en schaar is losgesneden, omkeert en in de vorige voor schuift. Men zie ook de toelichting bij het lemma ploegschaar. [A 26, 6; Lu 4, 6; JG 1a + 1b; N 11, 31.I.a; N 11A, 85d + 87b + 88b + 89c; monogr.]
I-1
|
| 19666 |
strijken |
strijken:
štrī̄kǝ (L331p Swalmen)
|
Met een strijkhout de kleikoek in de vorm gladstrijken. [monogr.]
II-8
|
| 26680 |
strijker |
strijker:
štrī̄kǝr (L331p Swalmen)
|
De arbeider die met behulp van een strijkhout de kleikoek in de vorm gladstreek. [monogr.]
II-8
|
| 29867 |
strijkhout |
strijklat:
štrī̄klat (L331p Swalmen)
|
Stok om de kleikoek glad te strijken. De ɛafstrijkerɛ (L 270) was een van beukehout vervaardigde lat, 60 cm lang, 6 cm breed en 2 cm dik met afgeronde uiteinden - Tegels Dialek, pag. 73/121.' [monogr.]
II-8
|
| 19442 |
strijkijzer |
strijkbout:
sjtriekbout (L331p Swalmen),
strijkijzer:
sjtriekiezer (L331p Swalmen)
|
Werktuig om linnengoed mee te strijken (strijkijzer, ijzer, strijkbout) [N 79 (1979)]
III-2-1
|