| 33690 |
talud |
kleef:
klēf (L331p Swalmen),
talud:
tǝlyj (L331p Swalmen)
|
De aflopende kant van een weg, dijk of sloot. Een aantal woordtypen duidt op een sloot of greppel naast de weg, terwijl gevraagd was naar de ø̄aflopende kant van een weg, dijk, of slootø̄. [N M, 27; N 11, 7a; N 11, 7b; monogr.]
I-8
|
| 17760 |
tand |
tand:
tandj (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
tand [DC 01 (1931)], [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 33777 |
tand, tanden |
tanden:
tɛnj (L331p Swalmen)
|
Achter het codenummer van de plaats is de meervoudsvorm vermeld. Voor een aantal plaatsen beschikken wij evenwel alleen over de enkel- of meervoudsvorm; deze laatste citeren wij als eerste. [JG 1a, 1b; N 8, 17]
I-9
|
| 17761 |
tanden |
tanden (mv.):
tenj (L331p Swalmen)
|
tanden [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 32914 |
tanden van de hooihark |
tanden:
tɛnj (L331p Swalmen)
|
De houten pennen die aan beide zijden uit de dwarsbalk van de hooihark steken; zie afbeelding 11, d. Alle opgaven zijn in het meervoud. [N 18, 92d]
I-3
|
| 32584 |
tanden van een riek |
tanden:
tɛnj (L331p Swalmen)
|
Van de opgesomde termen zijn de niet-samengestelde meestal ook toepasselijk op de tanden van de mesthaak en van de hooivork. Voor het aantal tanden dat een riek kan hebben, zie men het vorige lemma. [N 11A, 13b + 17b; div.; monogr.]
I-1
|
| 31212 |
tandrad, tandwiel |
kamrad:
ka.mprā.t (L331p Swalmen)
|
Wiel dat op de omtrek van tanden voorzien is; deze tanden grijpen weer in die van een ander tandrad of een tandstang. Tandraderen dienen om de draaiende beweging van een as op een andere as over te brengen. [N 33, 280a; monogr.; div.]
II-11
|
| 17622 |
tandvlees |
tandvlees:
tandjvleis (L331p Swalmen)
|
tandvlees [bibbletjes, bibbertjes] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 31213 |
tandwielpal |
pal:
pal (L331p Swalmen)
|
Een aan de voorzijde afgeschuind palletje dat door middel van een veer tussen de tanden van het tandwiel wordt gedrukt wanneer dit achteruit draait. [N 33, 243]
II-11
|
| 20357 |
tante |
tant:
tant (L331p Swalmen)
|
tante [SGV (1914)]
III-2-2
|