| 20477 |
ter begrafenis gaan |
ter lijk gaan:
ter liēk gāōn (L331p Swalmen)
|
een begrafenis gaan bijwonen [begaan, te lijk gaan, ter bier gaan, gaan kezen, op de korte snee gaan] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 18127 |
tetanus |
klem:
klèm (L331p Swalmen)
|
Tetanus: ziekte waarbij een verstijving van de spieren optreedt, die begint bij de kauwspieren en zich dan uitspreidt over de rompspieren (klem). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 33760 |
tetveulen |
zuigveulen:
zȳx˲vø̄lǝ (L331p Swalmen)
|
Veulen dat nog gezoogd wordt. Een tetveulen is ouder dan een zuigeling en kan verkocht worden. [JG 1a, 1b; N 8, 2]
I-9
|
| 19347 |
tevreden; tevredenheid |
plezier:
plezeer (L331p Swalmen),
plezéér (L331p Swalmen)
|
tevredenheid, genoegen [trek, plezier, goesting, snoel] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19554 |
theelepeltje |
suikerlepeltje:
sòkkerlaepelke (L331p Swalmen)
|
theelepeltje (suikerlippelke) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19516 |
theepot |
theepot:
theepot (L331p Swalmen)
|
pot waarin thee wordt gezet [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19781 |
thuis |
aan het huis:
aan t hoeəs (L331p Swalmen)
|
thuis [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 21611 |
tien-guldenstuk |
tientje:
tientje (L331p Swalmen)
|
tien-guldenstuk, een ~ [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21379 |
tiend |
cijns:
sins (L331p Swalmen)
|
tiende: Datgene wat, in natura of geld, aan de belasting moet worden afgestaan van de opbrengst van het land [de tiend?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 23726 |
tientje van de rozenkrans |
tientje:
tientje (L331p Swalmen)
|
Een tientje van de Rozenkrans [n jezets?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|